Nieuw

Graaf van Aberdeen

Graaf van Aberdeen


We are searching data for your request:

Forums and discussions:
Manuals and reference books:
Data from registers:
Wait the end of the search in all databases.
Upon completion, a link will appear to access the found materials.

George Hamilton Gordon, werd geboren in Edinburgh in 1784. Opgeleid in Harrow verkreeg hij de titel Lord Haddo toen zijn vader stierf in 1793. Zijn gezamenlijke voogden waren William Pitt en Henry Dundas. Hij werd de 4e graaf van Aberdeen na de dood van zijn grootvader in 1801.

In 1813 werd de graaf van Aberdeen door Lord Liverpool als speciale ambassadeur naar Wenen gestuurd. Aberdeen onderhandelde met succes over het Verdrag van Toplitz dat de alliantie van grote mogendheden tegen Napoleon creëerde.

In 1828 benoemde de hertog van Wellington Aberdeen als zijn minister van Buitenlandse Zaken. Hij bekleedde deze functie ook onder Sir Robert Peel tussen 1841 en 1847. Aberdeen was een groot voorstander van vrijhandel en hielp Peel in 1846 de graanwetten in te trekken. Deze actie splitste de Conservatieve Partij en Peel en Aberdeen werden gedwongen af ​​te treden.

De graaf van Aberdeen werd premier na het aftreden van de graaf van Derby in 1852. De coalitieregering van Aberdeen was aanvankelijk erg populair bij het publiek. De houding veranderde echter toen Groot-Brittannië in 1854 betrokken raakte bij de Krimoorlog. Aberdeen kreeg de schuld van het wanbeheer van de oorlog en hij werd gedwongen af ​​te treden in februari 1855. George Hamilton Gordon stierf in 1860.


Beroemdheid

George Hamilton-Gordon werd geboren in Edinburgh op 28 januari 1784, hij was de oudste zoon van George Gordon, Lord Haddo, zoon van George Gordon, 3de Graaf van Aberdeen. Zijn moeder was Charlotte, de jongste dochter van William Baird of Newbyth. Hij verloor zijn vader in 1791 en zijn moeder in 1795 en werd opgevoed door Henry Dundas, 1st Burggraaf Melville. Hij werd opgeleid aan Harrow en St John's College, Cambridge, waar hij in 1804 afstudeerde met een Master of Arts. Daarvoor was hij echter graaf van Aberdeen geworden na de dood van zijn grootvader in 1801, en had hij door heel Europa gereisd. Op zijn rug naar Engeland richtte hij de Atheense Society op. In 1805 trouwde hij met Lady Catherine Elizabeth, dochter van John Hamilton, 1st Markies van Abercorn.

In december 1805 nam Lord Aberdeen plaats als een vertegenwoordiger van de Tory Schotse vertegenwoordiger in het House of Lords. In 1808 werd hij benoemd tot Ridder van de Distel. Na de dood van zijn vrouw in 1812 trad hij in dienst bij Buitenlandse Zaken. Hij werd benoemd tot Buitengewoon Ambassadeur en Gevolmachtigd Minister van Oostenrijk, en ondertekende het Verdrag van Töplitz tussen Groot-Brittannië en Oostenrijk in Wenen in oktober 1813. Hij was een van de Britse vertegenwoordigers op het Congres van Châtillon in februari 1814 en bij de onderhandelingen die leidden tot het Verdrag van Parijs in mei van dat jaar. Toen hij naar huis terugkeerde, werd hij een peer van het Verenigd Koninkrijk gemaakt, net als Viscount Gordon, van Aberdeen in het graafschap Aberdeen (1814), en werd hij lid van de Privy Council. In juli 1815 trouwde hij met zijn voormalige schoonzus Harriet, dochter van John Douglas, en weduwe van James Hamilton, burggraaf Hamilton. In de daaropvolgende dertien jaar nam Aberdeen een minder prominente rol in de openbare aangelegenheden.

Lord Aberdeen was tussen januari en juni 1828 dezelfde kanselier van het hertogdom Lancaster en vervolgens tot 1830 als minister van Buitenlandse Zaken onder de hertog van Wellington. Hij nam ontslag bij Wellington over de hervormingswet van 1832. Hij was staatssecretaris voor Oorlog en Koloniën tussen 1834 en 1835 en opnieuw minister van Buitenlandse Zaken tussen 1841 en 1846 onder Sir Robert Peel. Het was tijdens zijn tweede periode als minister van Buitenlandse Zaken dat hij twee meningsverschillen met de VS beslechtte: het Northeast Boundary-geschil door het Webster-Ashburton-verdrag (1842) en het Oregon-conflict door het Oregon-verdrag van 1846. Hij werkte met succes aan verbetering relaties met Frankrijk, waar Guizot ook een persoonlijke vriend was geworden. Hij volgde opnieuw zijn leider en nam ontslag bij Peel vanwege de kwestie van de graanwetten. Na de dood van Peel in 1850 werd hij de erkende leider van de Peelites. In juli 1852 werden algemene parlementsverkiezingen gehouden die resulteerden in de verkiezing van 325 Tory / conservatieve partijleden in het parlement. Dit vertegenwoordigde 42,7% zetels in het parlement. De belangrijkste oppositie tegen de Tory/Conservatieve Partij was de Whig-partij, die in juli 1852 292 leden van de partij in het parlement verkoos. Hoewel ze minder zetels bezetten dan de Tory/Conservatieven, hadden de Whigs een kans om steun te krijgen van de kleinere partijen. en onafhankelijken die ook in juli 1852 werden gekozen. Lord Aberdeen was net als de leider van de Peelites een van de 38 Peelites die onafhankelijk van de Tory/Conservatieve Partij tot leden van het parlement werden gekozen. Terwijl de Peelites het met de Whigs eens waren over zaken die te maken hadden met de internationale handel, waren er andere zaken waar de Peelites het niet mee eens waren met de Whigs. Lord Aberdeens eigen afkeer van de Assumption Bill inzake kerkelijke titels, die hij in 1851 niet verwierp, weerhield hem er zelfs van om in 1851 toe te treden tot de regering van de Whig-regering van Lord John Russell. Juli 1852 waren vrijhandelaren. Deze leden waren het met de Peelites eens over de intrekking van de "Corn Laws", maar ze waren van mening dat de tarieven op alle consumentenproducten moesten worden afgeschaft. Bovendien waren 63 parlementsleden gekozen in 1852 leden van de "Irish Brigade", die met de Peelites en de Whigs stemden voor de intrekking van de Corn Laws omdat ze een einde wilden maken aan de Grote Ierse Hongersnood door middel van goedkopere tarwe en brood prijzen voor de middenklasse in Ierland. Op dit moment hadden de Free Traders en de Irish Brigade echter geen meningsverschillen met de Whigs die hen ervan weerhielden zich bij de Whigs aan te sluiten bij het vormen van een regering. Dienovereenkomstig werd de leider van de Tory/Conservatieve Partij, de graaf van Derby, gevraagd een "minderheidsregering te vormen. De graaf van Derby benoemde Benjamin Disraeli echter als de minister van Financiën voor de minderheidsregering. Toen in december 1852 de nieuwe De minister van Financiën diende namens de minderheidsregering zijn begroting in bij het parlement, de Peelites, de Free Traders en de Ierse Brigade waren allemaal vervreemd van de voorgestelde begroting, waardoor elk van deze groepen plotseling hun meningsverschillen met de Whig Party vergat en met de Whigs tegen de voorgestelde begroting. De stemming was 286 voor de begroting en 305 stemmen tegen de begroting. Omdat de leiding van de minderheidsregering van de stemming over de begrotingsstemming een "stem van vertrouwen" in de minderheidsregering had gemaakt, de nederlaag van de Disraeli-begroting was een "stem van wantrouwen" in de minderheidsregering en betekende de ondergang van de minderheidsregering. Dienovereenkomstig werd Lord Aberdeen gevraagd om een nieuwe regering vormen.

Gezien de meningsverschillen binnen het kabinet van Lord Aberdeen over de richting van het buitenlands beleid met betrekking tot de betrekkingen tussen Groot-Brittannië en de Fransen onder Napoleon III, is het niet verwonderlijk dat het debat binnen de regering woedde als Louis Bonaparte, die nu de titel van keizer aannam. Napoleon III van Frankrijk. Als premier van de Peelite / Whig-coalitieregering leidde de graaf van Aberdeen uiteindelijk Groot-Brittannië in oorlog aan de kant van de Fransen / Ottomanen tegen het Russische rijk. Deze oorlog zou uiteindelijk de Krimoorlog worden genoemd, maar de hele onderhandelingen over het buitenlands beleid rond de verbrokkeling van het Ottomaanse rijk, die gedurende het midden en het einde van de negentiende eeuw zouden voortduren, zouden het probleem worden genoemd als de 'oosterse kwestie'. sympathisant met Russische belangen naast Frans/Napoleontische belangen. Hij was dus echt geen voorstander van het toetreden tot de Krimoorlog. Hij volgde echter de druk die op hem werd uitgeoefend door enkele leden van zijn kabinet, waaronder Palmerston, die in dit zeldzame geval daadwerkelijk werd gesteund door John Russell, die beiden voorstander waren van een agressiever beleid tegen de vermeende Russische expansie. de val van zijn regering. De oosterse kwestie begon al op 2 december 1852 met de Napoleontische staatsgreep tegen de Tweede Repu blic van Frankrijk. Terwijl hij zijn nieuwe keizerlijke regering aan het vormen was, stuurde Napoleon III een ambassadeur naar het Ottomaanse rijk met instructies om het recht van Frankrijk te doen gelden om christelijke plaatsen in Jeruzalem en het Heilige Land te beschermen. Het Ottomaanse Rijk stemde in met deze voorwaarde om een ​​conflict of een mogelijke oorlog met Frankrijk te voorkomen. Groot-Brittannië maakte zich steeds meer zorgen over de situatie in Turkije en premier Aberdeen stuurde Lord Stratford de Redcliffe, een diplomaat met uitgebreide ervaring in Turkije, als speciale gezant naar het Ottomaanse Rijk om de Britse belangen te bewaken. Rusland protesteerde tegen de Turkse overeenkomst met de Fransen als een schending van het Verdrag van Kucuk Kaynarca van 1778, het verdrag dat een einde maakte aan de Russisch-Turkse oorlog van 1768-1774. Op grond van dit verdrag hadden de Russen het exclusieve recht gekregen om de christelijke plaatsen in het Heilige Land te beschermen. Overeenkomstig. op 7 mei 1853 stuurden de Russen prins Alexander Sergejevitsj Menshikov, een van hun belangrijkste staatslieden, om te onderhandelen over een regeling van de kwestie. Prins Menshikov vestigde de aandacht van de Turken op het feit dat de Russen tijdens de Russisch-Turkse oorlog (1768'82111774) de door Turkije gecontroleerde provincies Walachije en Moldavië op de noordelijke oever van de Donau hadden bezet, maar hij herinnerde hen eraan dat op grond van het Verdrag van Küçük Kaynarca hadden de Russen deze "Donau-provincies" echter teruggegeven aan Ottomaanse controle in ruil voor het recht om de christelijke plaatsen in het Heilige Land te beschermen. Dienovereenkomstig keerden de Turken terug en waren het met de Russen eens. De Fransen stuurden een van hun belangrijkste linieschepen, de Karel de Grote, naar de Zwarte Zee als machtsvertoon. In het licht van het Franse machtsvertoon keerden de Turken zich opnieuw en erkenden het Franse recht om te protesteren tegen de christelijke sites. Lord Stratford de Redcliffe adviseerde de Ottomanen gedurende deze tijd en later, zo werd beweerd, was hij behulpzaam geweest bij het overtuigen van de Turken om de Russische argumenten te bundelen.


Rivaliteit met Palmerston

Aberdeen was minister van Buitenlandse Zaken in de regering van Wellington tussen 1828 en 1830, en werd herbenoemd in deze functie in het conservatieve ministerie van Peel van 1841-6. Hij ontwikkelde een rivaliteit met Palmerston, de belangrijkste woordvoerders van buitenlandse zaken van de liberale partij, hoewel ze in verschillende Houses of Parliament zaten. In tegenstelling tot Palmerston probeerde Aberdeen consequent de spanningen met andere landen weg te werken. Hij stond veel sympathieker tegenover de bestaande nederzetting in Europa dan Palmerston, en was niet geïnteresseerd in het gebruik van buitenlands beleid om een ​​liberaal imago in het openbaar te cultiveren. Hij wilde ook voorkomen dat er veel aan defensie werd uitgegeven, om zo de belastingen laag te houden. In de jaren 1840 werkte hij hard om Rusland tot bedaren te brengen en streefde hij naar een entente cordiale met Frankrijk, hoewel hij niet kon voorkomen dat Frankrijk in 1844-5 in bitterheid ten onder ging. Hij ging ook gevoelig om met verschillende diplomatieke problemen in Noord-Amerika.

Aberdeen steunde het beleid van Sir Robert Peel om de graanwetten in te trekken en bleef een vertrouwde collega van hem na de daaruit voortvloeiende splitsing van de conservatieve partij in 1846. Toen Peel in 1850 stierf, werd hij behandeld als de leidende Peelite en was hij actief in discussies gedurende de volgende paar van jaren over het creëren van een stabiele regering uit de verwarde staat van partijen. Het uiteindelijke resultaat was de liberaal-Peelite coalitie die Aberdeen in december 1852 als premier vormde.


George Hamilton-Gordon, 4e graaf van Aberdeen

Onze redacteuren zullen beoordelen wat je hebt ingediend en bepalen of het artikel moet worden herzien.

George Hamilton-Gordon, 4e graaf van Aberdeen, originele naam George Gordon, (geboren 28 januari 1784, Edinburgh, Schotland - overleden 14 december 1860, Londen, Engeland), Britse minister van Buitenlandse Zaken en premier (1852-1855), wiens regering Groot-Brittannië betrokken had bij de Krimoorlog tegen Rusland (1853-1856) .

Op 11-jarige leeftijd wees, George Gordon (die in 1818 de achternaam van zijn overleden eerste vrouw aan zijn eigen achternaam toevoegde) werd opgevoed door zijn voogden, de politici William Pitt de Jongere en Henry Dundas (later Burggraaf Melville), en erfde het graafschap en geassocieerde titels van zijn grootvader in 1801. In 1813 werd hij benoemd tot speciale ambassadeur in Oostenrijk. Hij was in die tijd een centrale figuur in de Europese diplomatie en hielp bij het vormen van de coalitie die Napoleon I versloeg. In 1814, na de ondertekening van het Verdrag van Parijs namens zijn koning, werd hij benoemd tot burggraaf Gordon van Aberdeen in de adelstand van de Verenigde Koninkrijk. In de regering van de hertog van Wellington was hij kanselier van het hertogdom Lancaster (januari-juni 1828) en minister van Buitenlandse Zaken (juni 1828-november 1830), terwijl hij in de korte eerste regering van Sir Robert Peel (1 november 1834-1 april) , 1835), was hij secretaris van oorlog en koloniën. Als minister van Buitenlandse Zaken opnieuw (september 1841-juli 1846) in de tweede regering van Peel, beslecht Aberdeen langdurige geschillen over de oostelijke en westelijke grenzen tussen Canada en de Verenigde Staten, door het Webster-Ashburton-verdrag (1842) en het Verdrag van Oregon (1846). ).

Op 28 december 1852 vormde Aberdeen een coalitiekabinet van Peelites (van wie hij erkend leider was na de dood van Peel in 1850), Whigs en een Radical. In 1853, toen zijn ministerie met tegenzin een oorlog met Rusland naderde vanwege belangenconflicten in het Midden-Oosten, belemmerde zijn besluiteloosheid de vredeshandhavingsinspanningen van zijn minister van Buitenlandse Zaken, de 4e graaf van Clarendon. Oorlog werd onvermijdelijk nadat Aberdeen en Clarendon de Britse vloot naar Constantinopel hadden gestuurd (23 september) en drie maanden later de Zwarte Zee in. Zowel Groot-Brittannië als Frankrijk verklaarden de oorlog aan Rusland op 28 maart 1854. Hoewel hij slecht geïnformeerd was door de Britse generaals in de Krimoorlog, was Aberdeen grondwettelijk verantwoordelijk voor hun fouten, en hij nam ontslag op 29 januari 1855.


Verder lezen

Twee standaard biografieën van Aberdeen zijn Arthur Hamilton Gordon Stanmore, De graaf van Aberdeen (2 delen, 1893), en Lady Frances Balfour, Het leven van George, 4de graaf van Aberdeen (1923) zijn beide sympathiek maar niet erg indringend. Een uitstekende bespreking van de binnenlandse impact van de Krimoorlog staat in Olive Anderson, Een liberale staat in oorlog: Engelse politiek en economie tijdens de Krimoorlog (1967). Voor Anglo-Amerikaanse betrekkingen in deze periode zie Wilbur Devereux Jones, Lord Aberdeen en de Amerika's (1958).


Graaf van Aberdeen - Geschiedenis

De Jacobitische opstanden'8212De graaf van Mar als hoveling en rebellenleider 'Aberdeenshire en de Unie'Kolonel Hooke's missie'8212Mar's 'jachtpartij'—Branden om zijn vazallen en hun pachters te dwingen op te staan'8212Proclamatie van de Pretender'8212De Jacobieten bezetten Aberdeen en kies een gemeenteraad'Landing van de Pretender in Peterhead: Zijn hof in Fetteresso — Vlucht van James en Mar, en ineenstorting van de opstand'8212De verbeurde landgoederen: de operaties van The York Buildings Company'8212De terugkeer van graaf Marischal '8212 De politieke invloed van de kerk : Moderatisme'8212 Revisie van de universiteiten'8212Veeroof en -smokkel'8212De 'tweede Jacobitische opstand'Large aandeel daarin door Aberdeenshire —Lord Lewis Gordon en de andere leiders'8212De Jacobieten in Aberdeen'8212Zijn opluchting door Cumberland'8212De ernst na Culloden'8212Definitieve afschaffing van veeteelt'8212Afschaffing van erfelijke jurisdicties:'8 212Sociale en economische veranderingen.

Voordat koning George voet op Britse bodem zette, had hij de uitbundige brief van de graaf van Mar ontvangen waarin hij dienstbetoon en loyaliteit betuigde, en aangezien de koning niets te maken wilde hebben met een van de ministers van koningin Anne, had Mar, die een ervaren hoveling was, de broer-in -wet van Lady Mary Wortley Montagu, en de vriend van St. John en Harley, als van Pope en Arbuthnot, probeerden zijn positie te versterken door een gedenkteken voor de trouw en plicht van de MacDonalds, Camerons, Macphersons, Macintoshes en andere Highland-clans . Maar zijn toenadering werd verwaarloosd. Bijna een jaar na zijn ontslag hing hij aan het hof, en toen, in augustus 1715, begon hij vermomd voor Braemar en Kildrummy aan zijn mislukte missie. Als minister van Buitenlandse Zaken had hij samen met de graaf van Seafield, de kanselier, deelgenomen aan de bevordering van de Unie, en deze had in het Schotse parlement de steun gekregen van een meerderheid van de noordoostelijke vertegenwoordigers, de graven van Kintore en Findlater, en Lords Forbes, Fraser en Banff onder de adel, en van gewone mensen Sir Alexander Ogilvie van Forglen, Sir Thomas Burnett van Leys, Abercromby van Glassaugh en William Seton, jonger, van Pitmedden, het lid van Aberdeenshire, die een van de belangrijkste pleitbezorgers was . Daartegenover stonden de graaf van Erroll en de graaf Marischal, die daarin het verlies zagen van hun erfelijke ambten van High Constable en grote Marischal van Schotland en Moir van Stoneywood, Gordon van Pitlurg en James Ogilvie, jonger, van Boyne. Maar in haar beginjaren had de Unie de beloften en verwachtingen van haar initiatiefnemers niet waargemaakt. De voordelen waren nog niet volledig duidelijk en de nadelen ervan in verband met sommige fiscale wetten kwamen grotendeels in het openbaar. Door de afwikkeling van de protestantse opvolging in het Huis van Hannover en de Presbyteriaanse Kerk, vormde het een uitdaging voor de Jacobieten en Episcopalen, die talrijk waren in het noordoosten. Elk element van ontevredenheid en ontevredenheid leende zich voor de doeleinden van maart. Aan de andere kant werd de Unie over het algemeen aanvaard door de heersende klasse in de stad Aberdeen, waaronder veel kooplieden die zich bezighielden met de buitenlandse handel , van wie één, provoost John Gordon, voorheen een factor in Campvcre, de eerste vertegenwoordiger van de stad, met de bijbehorende burghs, in het Britse parlement was, en een toelage van zijn kiezers kreeg om zijn onkosten in Londen te dekken.

Voordat de wet de koninklijke sanctie had verkregen, was kolonel Hooke, een Jacobitische vluchteling in Franse dienst, op weg naar Slains Castle om, op initiatief van Lodewijk XIV, de Jacobieten en andere ontevredenen te intrigeren en hen aan te zetten zijn spel te spelen. tegen Engeland. De graaf van Errcll lijkt de Franse opvattingen te hebben aangemoedigd, en de hertog van Gordon werd zo geïnterpreteerd, net als Lord Saltoun, Lord Panmure en enkele van de zuidelijke adel, maar over het algemeen was er eensgezindheid van voorzichtige terughoudendheid onder de Jacobitische notabelen. Na verloop van tijd verscheen admiraal Fourbin met zijn vloot uit Duinkerken voor de kust van Montrose, keerde naar het zuiden en ging voor anker op het eiland May totdat de Engelse vloot werd ontdekt, en voer toen weer noordwaarts tot Buchanness, en vandaar uiteindelijk weg. naar zee, een schip achterlatend dat de Firth of Forth was opgegaan om in handen te vallen van admiraal Byng.

In het laatste deel van het bewind van koningin Anne was de regering gunstig voor de Jacobieten, maar de ontevredenheid in Schotland hield aan en er was wrijving tussen de Schotse en Engelse vertegenwoordigers over de oppositie van het House of Lords tegen de Engelse adelstand van de hertog van Hamilton als ook over de moutbelasting, die de rechten van Schotland op grond van de Act of Union zou schenden, en het was tijdens de spanning die door deze vragen werd veroorzaakt dat Lord Findlater, die een van de aanhangers van de Act of Union was geweest, naar voren bracht een motie in het House of Lords voor de intrekking ervan, die slechts met een meerderheid van drie werd verworpen.

Toen het nieuws van de dood van koningin Anne Aberdeen bereikte, paradeerden een aantal jongeren 's nachts door de straten, aangevoerd door twee violisten die Jacobitische melodieën speelden. Toen ze bij de bron kwamen die toen bij het kruis stond, "namen water in hun hoeden" en dronken op de gezondheid van de Pretender. Een verslag van de escapade, dat deel uitmaakte van soortgelijke procedures in andere steden, bereikte Londen, en de graaf van Mar, als staatssecretaris, schreef aan de magistraten waarin hij hen opdroeg de personen die zich schuldig maakten aan dergelijke verraderlijke praktijken volgens de wet worden aangehouden en vervolgd. Er werd een onderzoek ingesteld en de verklaringen van verschillende personen werden naar de regering gestuurd, waarbij de magistraten rapporteerden dat de verdachten waren ondergedoken en zich buiten de jurisdictie van de stad bevonden, en de namen gaven van vier die in de sheriffdoms van Moray en Aberdeenshire woonden.1 Twaalf maanden later organiseerde Mar zelf een opstand ten gunste van de Pretender. Een vergadering van kooplieden en handelsburgers, bijeengeroepen door de provoost naar aanleiding van een bericht dat de Hooglanders in beweging waren en de stad zouden kunnen aanvallen, besloot defensieve maatregelen te nemen. Dit was op 3 augustus 17x5, en aangezien Mar op de 1e de Levee in Londen bijwoonde, leek het erop dat de beweging onder de Hooglanders begon voordat hij in het noorden aankwam.

Op weg van Elie, waar hij landde van zijn reis vanuit Engeland, zocht Mar de steun van Jacobieten in Fife en Forfar, en vanuit zijn Castle of Kildrummy deed hij uitnodigingen aan een aantal van de adel, zogenaamd voor een groot jachtfeest om worden gehouden in Braemar op 26 augustus. Het jachtgezelschap was een geschikt voorwendsel voor zo'n bijeenkomst, en Braemar had het tweevoudige voordeel dat hij centraal stond voor veel van de edelen, lairds en hoofden wier aanwezigheid gewenst was, en ver verwijderd van de waarneming van de regering. Een groot aantal van de grote territoriale families waren vertegenwoordigd op de bijeenkomst, waaronder de directe buren van Mar, de hertogen van Gordon en Atholl (door hun zonen de markies van Huntly en de graaf van Tullibardine), de graaf van Breadalbane (door Campbell van Glenderule) , Lords Southesk, Ogilvy, Stormont en Drummond de jonge graaf Marischal, wiens wilskrachtige Drummond-moeder een familielid van Mar was, vertegenwoordigde de Lowlands van Aberdeenshire en Kincardineshire, en met hem was de graaf van Erroll en van de andere Jacobitische adel daar zouden de graven van Carnwath, Linlithgow, Nithsdale en Traquair, de burggraven Kenmure, Kilsyth en Kingston, Lords Duffus, Nairn, Rollo, Seaforth en Strath-allan en het hoofd van Glengarry aanwezig zijn geweest. De lairds van Glen-bucket en Strowan kunnen niet afwezig zijn geweest, en de compagnie moet Mar's Farquharson-vazallen en anderen van wie de namen niet bekend zijn, hebben opgenomen. Mar hield een toespraak en het bestaan ​​van een oorlogskas van 100.000 dollar werd aangekondigd. Elders vonden consultaties plaats 'we horen bijvoorbeeld van een ander 'jachtfeest' op Aboyne'8212 en overal was het Schotse jakobitisme en onvrede alert. Er werd echter grote moeilijkheid ondervonden, niet alleen door Mar zelf, wiens positie voornamelijk die van een feodale overste was die geen directe betrekkingen had met de massa van het volk, maar ongetwijfeld ook door de andere voortrekkers van de opstand, om hun vazallen en huurders stijgen. Een brief die de graaf gericht heeft aan John Forbes van Jnverer-nan, zijn "baljuw van Kildrummy", klaagt hem ernstig aan wegens nalatigheid en gebrek aan ijver. "Jocke", zo begint de brief, "je had gelijk om niet te komen met de honderd mannen die je vanavond hebt gestuurd toen ik vier keer zoveel verwachtte" het was "mooi" dat alleen de Mar-mannen ongevoelig zouden zijn heeft te lang zachte middelen gebruikt en zal worden gedwongen andere middelen ter executie in te zetten.' gestuurd om al hun bezittingen te verbranden of weg te nemen. De heren moesten in hun beste uitrusting te paard verschijnen, er hoefde geen excuus te worden gebruikt, en Forbes zelf zou aan hun hoofd staan. Alar hield zijn woord. Een van zijn vazallen was David Lumsden van Cush-nie, en in het geval van een tiental huurders van Lumsden die in Preston gevangen waren genomen, werd bewijsmateriaal gegeven dat een rechtbank in Alford ervan overtuigde dat de bedreigingen en onderdrukking die door Mar en zijn agenten werden gebruikt voldoende verklaarden hun deelname aan de opstand. De mannen vluchtten enkele dagen uit hun huizen om aan de indruk te ontsnappen, en ten slotte werden hun huizen en graanschuren door de rekruteringspartijen in brand gestoken; de mannen werden uiteindelijk gevangengenomen, marcheerden als gevangenen naar Braemar en werden voor dienst in de Engelse expeditie, waar de kans op desertie kleiner was dan dichter bij huis. Zelfs in Braemar zelf had de Jacobitische leider zijn teleurstellingen. Farquharson van Invercauld, in wiens huis hij had gelogeerd, en Gordon van Aber-geldie maakten zich van hem los en riskeerden de brand waarmee hij hen bedreigde in plaats van de grotere gevaren van rebellie.

Het was op 6 september dat Mar met religieuze plechtigheden de standaard van opstand verhoogde in Braemar, op een indrukwekkende plek die nu wordt bedekt door het hotel waar het moderne dorp vanuit het oosten wordt betreden. Twee weken daarna werd de Pretender uitgeroepen door graaf Marischal aan het kruis van Aberdeen, en te Dundee door een nieuwe Graham van Claverhouse, te Montrose door de graaf van Southesk, te Brechin door Lord Panmure en op verschillende plaatsen door andere aanhangers van de Jacobitische feest. De klokken van Aberdeen luidden 's nachts en de stad werd verlicht, de burgers die weigerden of verzuimden te verlichten, werden door de Jacobitische bende "opgeschud". Het stadsbestuur en de magistraten waren van Hannoveraanse sympathieën, maar de Convener of the Trades, met de diakenen en box-masters, waren Jacobieten, en ontving de graaf Marischal en zijn vrienden op een feest in de Trades Hall. Toen de raad de volgende dag bijeenkwam, presenteerden de Jacobieten zich in een krachtige reeks en eisten het bezit van de wapens en munitie die aan de stad toebehoorden en de sleutels van het blokhuis, die ofwel werden overhandigd of in beslag genomen en van kapitein John Bannerman, die in opdracht van Marischal nam daartoe het bevel over de stad op zich. Het populaire sentiment was klaarblijkelijk in het voordeel van de Pretender, hoewel de kooplieden en de middenklasse over het algemeen de zaak van koning George aanhingen. Aan de vooravond van de jaarlijkse verkiezing van de gemeenteraad en de magistraten keerde graaf Marischal terug uit Inverugie. De oude raad deed geen poging om hun opvolgers te benoemen, omdat de Trades in opstand waren en er geen geldige verkiezingen konden worden gehouden. Een hoofdhof van de burgh werd daarop bijeengeroepen door de graaf in de New of East Church of St Nicholas en een Jacobitische raad gekozen op zijn voordracht, met Patrick Bannerman als provoost, terwijl Moir of Stoneywood, Moir of Scotston en James Bisset, jongere, van Lessendrum, landheren die ook poorters van de stad waren, werden tot raadsleden benoemd. De oude religieuze verdeeldheid kwam weer op de voorgrond, en na enige tegenstand werd de Nieuwe Kerk overgelaten aan het gebruik van de Presbyteriaanse predikanten en het volk, terwijl in de Oude Kerk Dr. George Garden, Mr. Robert Blair en Dr. Burnet van zondag tot zondag predikten en bad voor .Jakobus VIII. De markies van Huntly arriveerde op 3 oktober in de stad met zeventig ruiters op weg om zich bij het opstandige leger aan te sluiten, en werd met Lord Pitsligo ontvangen door de Jacobitische magistraten in het Council House en ook door de Trades.

De onvermijdelijke vordering tot bevoorrading herinnerde de burgers al snel aan de lasten die zo vaak op de stad waren gelegd. Na het heffen van de Jacobitische standaard in Braemar, maar vóór de proclamatie van de Pretender in Aberdeen, had de Hannoveraanse gemeenteraad de aankoop van 200 wapenstandaarden goedgekeurd en een bevel van de Lord Justice-Clerk uitgevoerd om alle beslag te leggen op alle het buskruit dat aan de kooplieden toebehoorde en het grootste deel ervan naar Edinburgh te sturen voor gebruik door de regering. Binnen een paar weken kwamen er eisen van de graaf van Mar, als "opperbevelhebber van de strijdkrachten van Zijne Majesteit in Schotland", voor 300 Lochaber-bijlen, voor onmiddellijke betaling van 200 pond sterling als "zes maanden cess, volledig van alle voormalige cessie,' en voor het ophalen onder de naam van een lening nog eens ^2000, een eerste termijn van f 500, die onmiddellijk moet worden overgemaakt. Vier kanonnen zouden over zee worden doorgestuurd naar de markies van Huntly, en later een . Het hoofdhof van de burgers stemde ermee in de kosten van een troep van dertig paarden voor het eskader van de graaf Marischal te leveren en te bekostigen. Een andere vordering was voor het transport naar Perth van een drukpers en levering van het type dat toebehoorde aan James Nicol, de drukker van de stad.

De Pretender landde op 22 december met zes volgelingen in Peterhead en ging incognito door Aberdeen naar het huis van graaf Marischal in Fetteresso, waar hij de status van koning aannam, trouwe toespraken ontving van de magistraten en bisschoppelijke geestelijken van Aberdeen en de professoren van de twee universiteiten, en verleende Provost Bannerman de eer van ridderschap. James ging naar Perth en regeerde drie weken in Scone Palace. Maar het zuidelijke Jacobitische leger was gedoofd bij Preston, Mar had gefaald bij Sheriffmuir, en het gerucht deed Scone dat Argyll naderde. De dappere Gordon van Glen-bucket zwoer dat de loyale clans met 10.000 man om hun koning zouden vechten, maar Mar had zijn honger naar vechten verloren en de Pretender, die geen lef had voor een dergelijke situatie, wenste zichzelf het beste uit Schotland.

Een groot deel van het Jacobitische leger dat nog niet was "gesmolten" in de valleien van de Hooglanden, werd langs de Carse of Gowrie en langs de zeekust geleid tot het Montrose bereikte, waar de Pretender en zijn opperbevelhebber aan boord van een Frans schip glipten, hun bezorgde volgelingen te vertellen dat ze over zee op weg waren naar Aberdeen. In feite vluchtten ze naar Frankrijk. Het aldus lafhartig verlaten leger verkeerde in een benarde toestand. In Aberdeen werd de kwestie van het maken van een stand overwogen, maar werd geconcludeerd dat er geen kans was om dit met succes te doen. De meeste vooraanstaande mannen zeilden vanuit Aberdeen of een andere noordoostelijke haven naar het vasteland, en toen Argyll de stad bereikte, ontdekte hij dat er geen opmerkelijke Jacobieten waren. De opstand had de sympathie gewekt van vele personen van positie in het noordoosten, en in de handen van een militaire leider met bekwaamheid en vastberadenheid, zou in de staat van mening en gevoel die in heel Schotland heerste een veel langdurigere strijd hebben plaatsgevonden . Maar Mar's ijdelheid was de ondergang, zoals het de oorsprong was geweest, van de opstand. Hij had niet de kwaliteiten van een groot leider.

In korte tijd worden de graaf Marischal en zijn broer gevonden op de conferentie van kardinaal Alberoni in Madrid, die onder meer resulteerde in de Spaans-Jacobitische expeditie naar de West Highlands en het fiasco in Glenshiel. Het doodvonnis tegen Marischal had geen effect omdat hij uit de buurt bleef, maar er was geen ontkomen aan de verbeurdverklaringen die waren uitgevaardigd in de speciale Acts of Attainder die tegen hem en tegen Mar Panmure waren uitgevaardigd, die onlangs de Aberdeenshire had verworven. landgoed van Belhelvie, Southesk, die (zoals Panmure ook deed) een uitgestrekt gebied aan de zuidelijke grens van het graafschap bezat, en de andere Jacobitische leiders of partizanen.

De verbeurde landgoederen werden in handen van commissarissen geplaatst "om er hoofdelijk geld uit te halen voor het gebruik van het publiek", en in Aberdeenshire en elders werden de commissarissen door moeilijkheden geteisterd. Hun Engelse wet was geformuleerd in exotische bewoordingen die de Schotse rechtbanken niet graag wilden interpreteren of toepassen, terwijl Schotse schuldeisers van de verworven edelen zich naar het Court of Session haastten met claims die een kleine marge voor het publiek overlieten. Er werden beslagleggingen op de landgoederen bevolen en Jacobitische genomineerden van de schuldeisers werden aangesteld als "factoren" om met de inkomsten en eigendommen om te gaan. Zo werd Thomas Arbuthnot, de agent van graaf Marischal in Peterhead, die met hem in de opstand was geweest, benoemd tot factor op de Marischal-landgoederen en Thomas Lumsden, die zowel Panmure's adviseur in politieke aangelegenheden als zijn agent in zaken was geweest, werd belegd door de rechtbank met volledige bevoegdheden van bestuur over de Panmure landgoederen. Op verzoek van de commissarissen machtigde het Parlement hen om de landgoederen te verkopen, en bij een verkoop die plaatsvond, werden die van Marischal, Panmure en Southesk in Aberdeenshire of aan de grenzen ervan gekocht door de York Buildings Company. Bij het verwerven van de eigendommen werd het bedrijf erfgenaam van enkele van de moeilijkheden van de commissarissen, en het had al snel andere van zichzelf. Door de Jacobieten werd het als Hannoveraans gehaat, door de Marischal-pachters werd het beschouwd als een usurperende afwezige corporatie en een gemeenschappelijke vijand. Na enige ervaring met de stijfheid van de huurders en de traagheid van de rechtbanken, ging het bedrijf over tot het verhuren van de landgoederen aan "overvallers" of tussenpersonen, die een vaste huur moesten betalen en individueel met de huurders afrekenden. Provoost Gordon en zijn schoonzoon, provoost Robert Stewart, van wie de laatste in functie was toen de Pretender werd uitgeroepen, werden medehuurders van Fetteresso Belhelvie, gehuurd door provoost George Fordyce en Sir Archibald Grant, het lid van het Parlement voor Aberdeenshire, samen met zijn zwager Alexander Garden of Troup, huurcontracten verkregen van de Marischal-landgoederen in Buchan en andere grote belangen in de verbeurde gronden.

Het bedrijf en zijn huurders richtten zich met meer ijver dan wijsheid op de taak om hun landgoederen te ontwikkelen en nieuwe industrieën op te richten. De winning van ijzer en andere metalen werd nieuw leven ingeblazen in Glenesk en er werden ijzermijnen geopend aan de oevers van de Conglass'8212 een zijrivier van de Aven in Upper Banffshire, maar omdat brandstof, behalve turf, schaars was in dat district, moest het erts worden vervoerd op pakpaarden over de heuvels om te strijken - fabrieken die werden opgericht in Culnakyle aan de oevers van de Spey, waar de dennenbossen van Abernethy de grondstof voor houtskool leverden, en waar voorbereidingen werden getroffen om de industrie op grote schaal voort te zetten. Er werden "strathdoun-varkens" op de markt gebracht, maar nadat er veel kapitaal was uitgetrokken, bleek dat de wegen van generaal Wade nog steeds onbegaanbaar waren dat het transportprobleem alleen al fataal zou zijn voor een succesvolle ijzerproductie in zulke afgelegen gebieden, en een crisis in de zaken van het bedrijf bracht het experiment tot een abrupt einde. Een andere van de activiteiten van het bedrijf was om hout in vlotten over de Spey te laten drijven voor verzending naar Engeland. Het vlot en de vlotter was een noviteit in het noorden. Een voordeel dat het bedrijf op de afgelegen plaatsen van zijn industriële ondernemingen verleende, was het publiek vertrouwd te maken met betere methoden om arbeid te organiseren dan tot nu toe bekend was. Uit het zuiden meegebrachte geschoolde arbeiders, wier levenswijze en werk sterk verschilden van die van de bewoners en door de aanleg van wegen en zagerijen in de bossen van Speyside, en de systematische vervolging van de houthandel, droeg de York Buildings Company bij in zijn mate aan de ontwikkeling van de noordelijke industrie. De tussenpersonen-huurders van de landbouwgronden hadden zulke voordelige overeenkomsten met het bedrijf dat ze een ruime vergoeding overlieten voor de moeilijke zaak van het innen van de huur, en de huurovereenkomsten van Aberdeenshire werden verlengd toen ze afliepen, maar het lijkt erop dat de verbetering van de landbouw geen noemenswaardige vooruitgang heeft geboekt onder hen.

Nadat de twee broers Keith waren opgeklommen tot de hoogste posities in dienst van Frederik de Grote, en de jongere, als veldmaarschalk, was gesneuveld in de slag bij Hochkirchen, werd de oudere, graaf Marischal, die zich uit de buurt hield van de tweede Jacobitische opstond, verkreeg een omkering van zijn verworvenheid en hield het graafschap Kintore, waarvan hij erfgenaam werd, gedurende de laatste zeventien jaar van zijn leven. Hij had een vriend aan Frederick's Court in de persoon van Sir Andrew Mitchell van Thainston, de Britse ambassadeur, en had de grootste vriendschap met Frederick zelf. Marischal diende zijn land door aan de oudere Pitt het familiecontract Bourbon te onthullen, waarvan hij het geheim had vernomen toen de Pruisische ambassadeur in Madrid 3 en hij een beurs van publiek geld ontving waarmee hij zijn Buchan-landgoederen op gemakkelijke voorwaarden kon terugkopen, voor niemand zou tegen hem bieden. Maar Inverugie, in zijn ruïnes, had weinig charme voor zijn kinderloze ouderdom, en Frederick haalde hem gemakkelijk over om terug te keren naar het hof in Potsdam. De landgoederen werden doorverkocht, waarvan het grootste deel eigendom werd van James Ferguson, de eminente Schotse rechter die bekend staat als Lord Pitfour.

In de loop van de dertig jaar tussen de eerste en de tweede Jacobitische opstand vond een grote verandering plaats in het publieke sentiment. De meeste aanhangers van de Stuart-zaak in Aberdeenshire waren door Mar's mislukking overtuigd van de zinloosheid van gewapend verzet, zo niet van de deugdelijkheid van de principes van Whig en Hannover. De invloed van de kerk werd uitgeoefend aan de kant van de regering en na 1716 was er weinig jakobitisme onder de parochieministers. Er waren verschillen tussen hen, maar het is opmerkelijk dat de Presbyteriaanse Secession van 1733 weinig steun kreeg in het noordoosten, en de Erskines trokken geen enkele rekruut aan uit de rijen van de ministers tussen de Dee en Spey.

Een van de maatregelen na de onderdrukking van de opstand van 1715 was een nieuwe en definitieve "zuivering" van de twee universiteiten. Een koninklijke visitatiecommissie in 1717 beroofde King's College van zijn directeur, zijn civilist en twee van zijn regenten. Op het Marischal College kwam het opdrachtgeverschap vrij door de dood, maar de professoren van wiskunde en geneeskunde en vier regenten werden verwijderd. De enige professor die nog in functie was, was dr. Thomas Blackwell, die de leerstoel godgeleerdheid bekleedde, en die als een fervent presbyteriaan door de Algemene Vergadering naar Londen was gestuurd om zich te verzetten tegen het aannemen van de Toleration and Patronage Acts.Blackwell was nu gepromoveerd tot het rectoraat Colin Maclaurin, op de leeftijd van een moderne student, werd benoemd tot hoogleraar wiskunde, om opgevolgd te worden, waarna hij een paar jaar later op aanbeveling van Sir Isaac Newton werd verwijderd naar de corresponderende leerstoel in Edinburgh, door John Stewart, zoon van de provoost, wiens collega's de welbespraakte en talentvolle David Fordyce zouden zijn, die, toen hij nog een jonge man was, door een schipbreuk omkwam toen hij terugkeerde uit Nederland. Een ander was Thomas Black-well, de jongere, die eerst professor Grieks was en daarna directeur. George Chalmers, minister van Kilwinnmg, werd benoemd tot directeur van King's College. Alexander Garden, de jongste van Troup, een pleitbezorger in Edinburgh, van de invloedrijke Whig-connectie en huurder van verbeurde landgoederen, werd in 1717 civilist en verkocht het kantoor in 1724 voor 4500 merk aan Alexander Fraser, onderdirecteur, voor zijn zoon. John Ker en Daniel Bradfut, beiden zonder onderscheid, kwamen met Chalmers naar het noorden om regenten te worden onder koninklijke bevelen die waren uitgevaardigd op initiatief van de Visitatiecommissie. De eerste van vier leden van de familie van Gregory die het ambt van "medicijn" in King's College bekleedde, werd in 1725 benoemd. Beide colleges hielden bij deze "zuivering" uiteindelijk op een invloed te hebben aan de zijde van het Jacobitisme of het episcopaat.

De turbulentie van de Hooglanden, met inbegrip van de hooggelegen valleien van deze graafschappen, was altijd grotendeels te wijten geweest aan economische oorzaken en de rapporten van generaal Wade, die de opdracht had gekregen om de zeden en gebruiken van de Hooglanders te onderzoeken en "de staat van het land in met betrekking tot de overvallen en plunderingen die zouden zijn gepleegd,' onthullen een georganiseerd systeem van veediefstal en chantage, waarmee de Keltische clans op hun buren in het Laagland leefden. Sommige van de meer gedurfde bandieten, zoals Gilderoy en John Dugar in de vorige eeuw, stalen niet alleen vee en paarden, maar namen ook leden van rijke families gevangen en hielden ze tegen losgeld, zoals in het geval van een familielid van Dr. John Forbes uit Corse, voor van wie een grote som werd geëist, maar wiens vrijlating door Dugar zonder betaling werd verkregen door tussenkomst van Huntly.2 Door de centrale autoriteit werd van tijd tot tijd actie ondernomen om deze "veeroof"-aanvallen te onderdrukken. Zo werd Alexander Farquharson van Invercauld in 1672 door de Privy Council bevolen om een ​​borgsom aan te gaan, op straffe van 3000 merks, naast de schadeloosstelling van personen die onrecht zijn aangedaan, voor het goede gedrag van zijn volk, en om borgsommen af ​​te dwingen, van soortgelijke strekking, van zijn vazallen die op afstand woonden en een algemene wet van 1686 bepaalde dat in alle huurovereenkomsten een clausule zou moeten zijn die huurders en hun gezinsleden verplicht om vreedzaam en regelmatig te leven. Maar in 1689-1690 werden de pachters van Lord Forbes geplunderd door plunderaars uit het land van Badenoch, Braemar en Upper Banffshire rond de voet van de Cairngorms, bestaande uit 158 ​​runderen, 18 paarden en 830 schapen. De hoofden probeerden de verantwoordelijkheid die de regering op hen had gelegd af te wijzen en schreven de plunderingen toe aan "gebroken mannen". van de overbevolking van hooggelegen berggebieden waar de granen niet rijpen behalve in gunstige jaren. Om de wet tegen vee te handhaven - stelen was om de mensen te dwingen te migreren of te verhongeren, want er was voor hen geen levensonderhoud met de opbrengst van hun eigen land.

De erfgenamen van de Pastories van Alford en Kincardine organiseerden in 1700 een systeem van onderlinge verzekering en legden zichzelf een belasting op om de aanhouding en vervolging van de hoofdrovers, door wie hun landgoederen werden belaagd, veilig te stellen. Omstreeks dezelfde tijd werd er een soort Hooglandpolitie gevormd, bestaande uit kleine compagnieën soldaten onder leiding van enkele van de opperhoofden, met het doel wanorde te onderdrukken. Toen generaal Wade zijn wegen aan het maken was, organiseerde hij een half dozijn van dergelijke bedrijven, de Black Watch, zoals ze werden genoemd, om in de Hooglanden te patrouilleren en chantage en veediefstal te onderdrukken. Deze compagnieën werden na verloop van tijd omgevormd tot een regiment van reguliere troepen en dan treffen we Macpherson van Cluny aan, in de vorm van een patriottische afperser, die in 1744 een "wacht voor de veiligheid van verschillende graafschappen in het noorden van Schotland tegen diefstallen en plunderingen organiseert", " die onpartijdig moest optreden tegen alle plunderaars, of hun slachtoffers nu voor zijn diensten betaalden of niet.

De ontsluiting van de centrale Hooglanden door de wegen van generaal Wade was de meest effectieve maatregel van de regering na de onderdrukking van de opstand. Er was weinig terechtgekomen van de ontwapeningswetten van 1716, behalve dat verouderde wapens uit Holland werden geïmporteerd en met winst werden ingeleverd, maar de nieuwe hoofdwegen en militaire stations hadden een betekenis en potentieel die duidelijk genoeg waren voor de opperhoofden en clans van de Hooglanden, die verbaasd om Wade te zien rijden in een koets en zes paarden. Wielvoertuigen waren een noviteit in het noorden. Sir Archibald Grant vermeldt dat hij in 1720 zijn vrouw niet per wagen van Aberdeen naar Monymusk kon laten vervoeren, en dat er in de eerste jaren na de Unie geen koets, wagen of chaise longue was, en slechts enkele karren, ten noorden van de Tay . Generaal Wade stelde de Hooglanden niet alleen open voor voertuigen op wielen, maar ook voor effectief patrouilleren door troepen en het gemakkelijke en snelle transport van artillerie. Maar zijn wegen strekten zich niet uit tot Aberdeenshire of Banffshire, en hoewel plunderingen door traiteurs uit verre streken tot op zekere hoogte werden afgeremd, was er een hongerige bevolking in de bovenste valleien van de rivieren Dee, de Don en de Banffshire, waartegen repressie honger gehad.

De ontsluiting van de Hooglanden betekende een ernstige aantasting van de macht en positie van clanhoofden en landheren. Tegelijkertijd waren veel van de laaglandadel, en zelfs van de adel, erbarmelijk arm. Afgezien van het jakobitisme was de regering impopulair, was er veel politieke en sociale onvrede en werd vijandigheid jegens de Unie gestimuleerd door hogere belastingen. Deze ontevredenheid kwam niet agressief tot uiting in het noordoosten, waar niets gebeurde dat enige gelijkenis vertoonde met de bendes van Shawfield en Porteous, maar de fiscale wetten leidden tot een ontwikkeling van smokkel, en langs de kusten van Buchan en Banffshire was de lokale bevolking bezorgd over de smokkelwaar, die op donkere nachten grote hoeveelheden buitenlandse gedistilleerde dranken en wijnen ontvangt om zich in de rotsen of in het zand te verbergen, in afwachting van kansen voor binnenlands vervoer en verkoop. De belastingwetten en de gevolgen van de Porteous-menigte hadden indirect invloed op Aberdeenshire, door het jakobitisme en opruiing in andere delen van Schotland kracht bij te zetten.

De eerste voorbode van de uitbraak was een bericht van de Markies van Tweeddale, als staatssecretaris, met de boodschap van de koning aan het parlement over een geplande invasie in het belang van een Pretender met de steun van Frankrijk. Als antwoord op dit bericht werd een trouw adres teruggestuurd door de gemeenteraad van Aberdeen, en bij de aankondiging van een opstand in de West Highlands in augustus 1745 werd besloten de burgers in twaalf compagnieën te bewapenen.

Sir John Cope sloeg zijn kamp op op de hoge grond ten westen van de Denburn op 11 september 1745, toen hij terugkeerde van zijn vergeefse expeditie naar Inverness, en stond erop de transportschepen mee te nemen waarin zijn strijdmacht op het punt stond naar de Forth het kanon te zeilen. bij de bunker en de handvuurwapens die bij de stad horen. Het stadsbestuur stemde er onmiddellijk mee in het kanon op te geven als onbruikbaar voor verdediging tegen landwaartse aanvallen, maar gaf de handvuurwapens alleen af ​​wanneer ze werden bedreigd met het ongenoegen van de koning en op Cope's verklaring dat ze onvermijdelijk in handen van de rebellen zouden vallen.

Hoewel Aberdeen in 1745-46 gedurende vijf maanden werd bezet door de Jacobitische opstandelingen, speelden noch de stad, noch een van de graafschappen een noemenswaardige rol bij de opstand. De omstandigheden waren sterk veranderd sinds 1715, toen de opstand zijn oorsprong en een groot deel van zijn kracht in het noordoosten had. Mar en Marischal waren nu niet vertegenwoordigd, en de tweede opstand werd elders georganiseerd en had geen van de belangrijkste drijfveren in deze provincies. Prudentiële overwegingen, versterkt door herinneringen aan Mar's rebellie, weerhielden veel invloedrijke personen van Jacobitische neigingen ervan zichzelf te verklaren. Erkende Jacobieten zouden het veld zijn binnengegaan als de zaak van de prins voorspoedig was geweest. De graaf van Aberdeen, bijvoorbeeld, stond op het punt zich te laten leiden door de vroege successen van de rebellenzaak om deel te nemen aan de opstand, toen zijn ietwat plotselinge dood hem behoedde voor een definitieve toewijding aan een zo ernstige stap.

Lord Lewis Gordon, broer van de hertog, en een jeugdige cavalier van het onstuimige en semi-quixotische type, koos na enige schijnbare aarzeling de kant van de prins, werd benoemd tot zijn Lord - luitenant voor de twee graafschappen, en werd de erkende leider van de noordoostelijke Jacobieten, hoewel hij geen hand had in de beginfase van de opstand. De hertog zelf hield zich afzijdig, hoewel het zijn kamerheer was die de Pretender in Aberdeen uitriep. De plaatsvervangend luitenant, die tevens gouverneur van de stad was, was William Moir van Lonmay. Het kantoor was aangeboden aan Erskine van * Pittordie, maar hij hield zich voorzichtig afzijdig, zoals hij had gedaan in 1715 toen de oproep tot actie kwam van zijn bloedverwant, de graaf van Mar. Bijna alle Forbeses waren loyaal, maar de belangrijkste deelnemer uit Aberdeenshire in de opstand was Alexander Forbes, vierde Lord Pitsligo, die had gevochten voor de Pretender in Sheriffmuir en nu een man van gevorderde jaren was, een religieuze idealist, wiens hoge persoonlijke karakter vertrouwen wekte en een talrijke reactie van zijn Buchan-buren op zijn oproep bracht Te wapen. Lord Pitsligo was een legitimist met een eerlijk geloof in het goddelijke recht van koningen, en het is opgetekend dat toen hij zijn troep cavalerie in Aberdeen had opgesteld, hij zijn hoed afnam, omhoog keek met een plechtig beroep op de hemel dat de zaak rechtvaardig was , en gaf in één adem bevel om te marcheren. Gordon van Glenbucket, dan wie er geen grondiger soldaat was, stond weer op de voorgrond. In Aberdeen zelf was de meest actieve van de Jacobieten James Moir van Stoneywood, neef van de gouverneur en van de oude families in de buurt Irvine of Drum, Menzies van Pitfodels, en Sir Alexander P>annerman, die de Jacobitische zaak aanhingen. Francis Farquharson van Monaltry voerde het bevel over het Aboyne-bataljon, dat voor een groot deel bestond uit zijn eigen verwanten en hun bedienden uit Upper Deeside. Onder de andere heren van Banffshire en Aberdeenshire die deelnamen aan de opstand waren Sir William Dunbar van Durn, Sir William Gordon van Park, de Gordons van Avochie, Blelack, Carnousie, Cobairdy en Hallhead, Ogilvie van Auchiries, Byres of Tonley, Hay van Rannes en Fullerton van Dudwick, maar de vertegenwoordiging van de twee graafschappen is beduidend mager en voor het grootste deel beperkt tot huizen van ondergeschikt belang.

En hoewel er onder de graafschapfamilies van het noordoosten een heersende onwil bestond om de leiding van de Murrays en Drummonds, die aan het hoofd stonden van de opstand, te volgen, was de houding van het algemene lichaam van het volk die van besliste afkeer van het beroep op wapens. Cope had de stad tien dagen verlaten toen John Hamilton, de kamerheer van de hertog van Gordon, in Aberdeen aankwam (25 september) met een gezelschap van vijfentwintig paarden en zeventig voet om de Pretender uit te roepen. Enkele van de meer vurige Jacobieten onder de burgers voegden zich onmiddellijk bij hem, en toen de sleutels van het Market Cross waren verkregen, werd de provoost, James Morison, de jongere, van Elswick gestuurd. De provoost kon pas worden gevonden nadat een dwingend bevel was aangekondigd dat zijn huis zou worden verbrand, tenzij hij zich onmiddellijk aanmeldde. Vervolgens werd hij als gevangene naar het Town House gemarcheerd, waar enkele magistraten en raad al verplicht aanwezig waren. De Jacobieten beklommen het kruis, namen de provoost en zijn collega's mee, en verschenen zo voor de bevolking met de ogenschijnlijke instemming en steun van de burgerlijke autoriteiten terwijl de Pretender werd uitgeroepen en de plaatsvervanger van de sheriff zijn manifesten las.

In de gemeenteregisters staat dat de Jacobieten probeerden, zelfs met geweld, om de provoost ertoe te brengen zich bij hen aan te sluiten bij het drinken van de gezondheid van de Pretender, "en verschillende andere verraderlijke en opstandige gezondheidsproducten", en dat bij zijn weigering zij "goten de wijn in zijn borst, lieten de klokken luiden en maakten openbare vreugden, en, als een voorgewend jubileum, gooiden ze de gevangenisdeuren open, waardoor degenen die waren begaan voor moord en andere misdaden, evenals voor schulden, hun ontsnapping.' Provoost Morison zelf beschreef het incident in een brief aan Lord President Forbes, die antwoordde: 'Het gebruik dat u aan uw kruis hebt ontmoet en uw vastberaden gedrag heb ik eerder gehoord, en u hoeft er niet aan te twijfelen dat het correct zal worden weergegeven in gepaste tijd. De afschaffing van uw verkiezing'de jaarlijkse verkiezing van gemeenteraad en magistraten' is wat u onder de gegeven omstandigheden niet kon helpen. De goede mensen moeten momenteel leven op de meest vriendelijke manier die ze kunnen, aangezien niemand, denk ik, ervoor zou kiezen om te handelen.' .

Het grootste probleem voor de Jacobieten was het rekruteren. Lord Lewis Gordon's moeilijkheden bij het verkrijgen van mannen waren veel groter dan die van Mar waren geweest. Lord Lewis, die af en toe in Aberdeen was, ijverig bijgestaan ​​door Moir of Stoneywood, die er constant was, deed zijn best om Aberdonians ertoe te bewegen dienst te nemen. "Ze komen met weinig snelheid", merkt John Bisset, de stadsminister, op in zijn dagboek, waarin veel feiten en details worden opgetekend die aantonen dat het publieke sentiment in hoge mate gunstig was voor koning George. Bisset constateert met verrukking het gejuich voor King George door de jongens in de straten, en hun uitingen van d sapproval op het gymnasium op het tijdelijk schrappen van de naam van de koning uit de gebeden door de meesters. Nadat de hertog van Gordon zijn volk had bevolen de opstandelingen uit de buurt te houden, had Lord Lewis geen persoonlijke volgelingen uit de familiedomeinen. In de begindagen van de opstand ontmoette hij de Jacobitische heren van Deeside in Aboyne Castle en in het huis van Gordon of Blelack, maar alleen om erachter te komen hoe onwillig de mensen waren om zich in te zetten, en hoe onheilspellend de invloed van de Presbyteriaanse predikanten. Over de onwil van de bevolking van Aberdeenshire om zich aan de standaard van hun "wettige prins" te houden, schrijft hij met veel bitterheid aan Stoneywood en aan Banffshire, met betrekking tot het verhogen van de last en het heffen van mannen, zegt hij: "We zijn verplicht grote bedreigingen te gebruiken, hoewel er geen echte ontberingen zijn gebruikt, en op de luie manier waarop het land zich bevindt, samen met de onnatuurlijke methoden die de ministers en andere ontevreden mensen gebruiken om de mensen ervan te weerhouden hun plicht te doen, is er geen verhoging van de quota voor mannen zonder schijnbare gewelddadigheid.' Een andere correspondent van Stoneywood meldt dat hij negen 'dienende jongens' heeft ingeschakeld, die 'door de duivelse leugens van hun presbyteriaanse prediker ertoe werden gebracht zich terug te trekken'. op een zondag opdat het leger van de rebellen zou worden verstrooid en hun raadgevingen teniet zouden worden gedaan, toen een verontwaardigde vrouwelijke parochiaan uitbarstte met de vraag: 'Hoe durf je te zeggen dat een 'mijn Charlie met hen' is!'1 Charles Gordon van Blelack was een kolonel in het leger van de prins, en de onderbreker was zijn moeder. De ingenieuze excuses van Erskine van Pittodrie om zich afzijdig te houden, kunnen worden opgevat als kenmerkend voor de houding van vele anderen. Zijn gezondheid was gebroken, schreef hij aan Moir of Stoneywood, en hij kon de vermoeidheid en blootstelling van campagnes niet verdragen. "Wat betreft het opvoeden van mannen," vervolgde hij, "ik zie zo'n achterlijkheid dat alleen de grootste kracht hen naar buiten zal brengen en wat mezelf betreft, ik ben op die manier slechter geplaatst dan al mijn buren. Ik heb meer weduwvrouwen die spijkers in mijn belang hebben dan er in verschillende parochies om me heen zijn en als ik de mannen die de ploegen vasthouden zou moeten dwingen, moet de spijker zonder arbeid liggen, en ik denk dat je gemakkelijk zult geloven dat ik mijn gezin niet kan onderhouden zonder huur. Maar ik zal me met genoegen beknibbelen om geld te geven om mijn aandeel mannelijke vrijwilligers te verhogen - gedwongen mannen zullen nutteloos zijn.' Dat waren de overwegingen die menig Jacobiet in hun hart ervan weerhielden openlijk voor de prins te verklaren. Lord Lewis vaardigde het bevel uit dat één volledig uitgeruste soldaat moest worden geleverd voor elke 100 dollar gewaardeerde huur, of pond sterling in plaats van elke man, op straffe van militaire executie. De behoefte aan geld was even urgent als de behoefte aan mannen. Aberdeen werd bevolen om de jaarafdracht aan de gouverneur te betalen, maar in de stad werd, via het hoofdkwartier, een verklaring over het onderwerp afgelegd, een compromis gesloten waarbij de betaling van $ 1000 aan de behoeftige rebellenschatkist werd aanvaard voor de tijd als een volledige ontlading.

Er was geen echte oorlog in beide provincies, behalve de schermutseling bij Inverurie (23 december), waarin Lord Lewis Gordon met zijn Aberdeenshire Lowlanders, inclusief de Aberdeen mannen onder Moir van Stoneywood, met het Aboyne bataljon onder Farquharson van Monaltry, verrast en versloeg een lichaam van Highlanders, voornamelijk bestaande uit de twee loyale clans van Macleod en Munro, die Lord Loudon vanuit Inverness had gestuurd om Aberdeen te ontlasten. Een paar van de loyalisten werden gedood en eenenveertig gevangen genomen. De oorlogvoering in dit stadium was niet zonder ridderlijke trekken. Lord Lewis, in antwoord op een oproep aan hem gericht door de laird van Macleod van Gordon Castle de dag na de slag, beloofde dat alle mogelijke zorg voor de gewonden zou worden genomen, en "alle beleefdheid" getoond aan de gevangenen, met uitzondering van "Regent Chalmers" van King's College, Forbes van Echt, en Maitland van Pittrichie, die, zei hij, de beruchte rol hadden gespeeld van spionnen en informanten, en vooral de laatste twee, die "een groot deel van het slechte advies hadden gegeven aan een zekere grote man die naamloos zal zijn en zeker niet zijn eigen hertogelijke broer. Deze achtte hij "niet in overeenstemming met eer of neiging" om als krijgsgevangenen te behandelen.

De noordoostelijke regimenten hadden hun aandeel in de slag bij Prestonpans, in de expeditie naar Engeland, bij Falkirk en bij Culloden. Er was geen stoutmoediger, moediger of inspirerender krijger in het veld dan "Old Glenbucket", zoals hij werd genoemd en de andere officieren Lord Lewis Gordon, Lord Pitsligo, Monaltry, Stoneywood, Gordon van Avochie en hun ondergeschikten spraken zichzelf vrij met krediet en met de ijver van mannen die alles op het spel hadden gezet.De algemene leiding van de campagne lag niet in hun handen, en voor de blunders waren zij niet verantwoordelijk. Sommige van de mannen die tot de gelederen waren gedwongen, wilden liever aan hen ontsnappen dan te vechten. Aan de kant van de regering weigerde een compagnie van plaatselijke milities, die onlangs in de Deeside Highlands waren ingeschreven als hulp- of reserve voor de "Black Watch", die was omgevormd tot het drieënveertigste regiment van reguliere troepen, met Cope aan boord te gaan bij Aberdeen. , en van een ander waren er talrijke deserties aan de vooravond van de slag bij Prestonpans. Soortgelijke deserties vonden plaats aan de Jacobitische kant, zoals in het geval van honderd mannen van Stoneywood die de opdracht kregen om in Find-horn aan boord te gaan voor een zoekexpeditie in Sutherlandshire en individuele deserties lijken talrijk te zijn geweest. Maar er is geen reden om eraan te twijfelen dat de noordoostelijke regimenten over het algemeen, hoewel ze bijna geheel uit onervaren soldaten bestonden, resoluut en standvastig voor de Jacobitische zaak vochten.

Het reliëf van Aberdeen door de hertog van Cumberland eind februari 1746 werd ongetwijfeld verwelkomd door de burgers in het algemeen, hoewel het er niet naar uitziet dat de Jacobieten hen vermijdbare ontberingen hadden aangedaan. Het stadsbestuur spreekt positief over de hertog, die met zijn leger zes weken in de stad bleef en bij zijn vertrek zes ex-provoosten en zes andere burgers aanstelde als gouverneurs van de stad totdat de orde hersteld zou zijn. Minder aangename verhalen over hem komen voor in de Jacobite Memoirs van bisschop Robert Forbes, waar bijzonderheden worden gegeven over zijn gewelddadigheid en onachtzaamheid als bewoner, voor die tijd, van het huis in de Guestrow van de heer Alexander Thomson, advocaat, een aanhanger van het Whig-belang, hoewel nog steeds schandelijker was het roofzuchtige gedrag van generaal Hawley in het aangrenzende huis van mevrouw Gordon van Hallhead, wier echtgenoot bij het Jacobitische leger was. De getuigenis van Bisset kan worden aangehaald ter ondersteuning van de opvatting dat het gedrag van de Jacobitische soldaten in de stad beter was dan dat van het Engelse leger.

Toen Cumberland op 8 april vanuit Aberdeen vertrok op zijn mars naar het noorden door Oldmeldrum, Turriff en Banff, liet hij een garnizoen van 200 man achter in Robert Gordon's Hospital, dat onlangs was gebouwd, maar nog niet open was voor educatieve doeleinden. Acht dagen daarna troffen de vermoeide en uitgehongerde Jacobitische troepen hun definitieve omverwerping op Drummossie Moor, en het proces van zware repressie begon. Farquharson of Monaltry, en een paar andere officieren, werden gevangengenomen, met een aantal van hun mannen, maar de van de hoofdofficieren ontsnapt. Ze loerden tussen de heuvels of in schuilplaatsen in het Laagland, en velen van hen leden grote ontberingen, maar verraad was praktisch onbekend. Lord Pitsligo leefde in vermomming op zijn landgoed in Buchan, of onder de beschutting van zijn buren. Lord Lewis Gordon zwierf van Fochabers naar Strathbogie, en vandaar naar Aboyne en Birse, totdat hij zijn weg vond naar Frankrijk, waar hij onder een valse naam en met een slechte gezondheid door de ontberingen die hij had geleden, slechts een paar jaar overleefde. De voortvluchtigen, van wie er velen in Upper Deeside waren, werden geholpen door hun verwanten en buren, wier trouw aan de overwonnenen een bewijs was tegen alle aanbiedingen van beloning voor het opsporen en overgeven van opstandige vluchtelingen. Farquharson van Invercauld, wiens gedrag toen de opstand dreigde, correcter was dan zijn gevoelens, was behulpzaam voor zijn verwanten toen de soldaten naar hen op zoek waren. Zijn dochter, in afwezigheid van haar echtgenoot, /Eneas Mackintosh van Mackintosh (een officier in de regeringsdienst die erin slaagde gevangen te worden genomen door zijn Jacobitische vrienden), hief de Mackintoshes op in het belang van Stuart, en zou 300 Farquharsons hebben ingeschakeld van Deeside. "Kolonel Anne", zoals ze werd genoemd, is een van de heldinnen van de noordelijke traditie en romantiek, en was een onvrijwillige gevangene na Culloden.

Terwijl het strenge repressiewerk aan de gang was, werd een proclamatie gepubliceerd in de kerken in heel Aberdeenshire waarin werd aangekondigd dat "waar overal wapens van welke soort dan ook worden gevonden, het huis en alle huizen die toebehoren aan de eigenaar, onmiddellijk tot as zullen worden verbrand" en dat als er wapens onder de grond zouden worden ontdekt, "de aangrenzende huizen en velden onmiddellijk verwoest en vernietigd zullen worden". shires'Lord Pitsligo, Lord Lewis Gordon, Sir William Gordon van Park, Gordon van Glenbucket en Farquharson van Monaltry, maar de secundaire lijst van vrijstellingen van de Act of Indemnity bevat veel Aberdeenshire-namen.

Een van de laatste incidenten van de opstand in Aberdeen was de afgifte van een bevel aan de magistraten door de graaf van Ancrum, als militair commandant, om de klokken te luiden en de huizen te verlichten op de verjaardag van de toetreding van George I . (1 augustus). Het was niet gebruikelijk om andere toetredingen dan die van de regerende vorst te herdenken, en terwijl de klokken luidden, werd de vraag naar verlichting genegeerd. Dingen werden met hoge hand gedragen door de soldaten, die 's nachts door de stad gingen om ruiten in te slaan en andere daden van verontwaardiging te begaan onder kleur van loyaliteit. Ondanks pleidooien dat de stad onder militair bewind stond, arresteerden de magistraten een van de officieren die bij de zaak betrokken waren, en hun protesten werden gevolgd door de vroege overdracht van de bevelvoerende officier uit Aberdeen, terwijl de procedure voor het verhalen van schade uiteindelijk in het gedrang kwam, op de tussenkomst van de commandant van de strijdkrachten in Schotland en anderen, tegen betaling van een bedrag dat voldoende was om de armere burgers te vergoeden.

De afschaffing van de erfelijke jurisdicties en de omverwerping van het clansysteem waren minder belangrijk voor Aberdeenshire, waar de enige georganiseerde clan die van Farquharson was, dan voor de Hooglanden, maar zelfs hier, omdat het de macht van de landheren over de mensen op hun landgoederen, het ging om een ​​sociale verandering van enig belang. Compensatie voor het verlies van kantoren en jurisdicties, krachtens de wet van 1747, werd toegekend aan de hertog van Gordon, de graaf van Erroll, de graaf van Seafield en Findlater, Lord Braco (die uitgebreide belangen had verworven in de graafschappen, waaronder enkele van de landgoederen verbeurd na 1715), Lord Saltoun, Sir Arthur Forbes van Craigievar, en Urquhart van Meldrum, terwijl andere claims werden afgewezen, voornamelijk op een beslissing van de rechtbank dat heren van regalities ze niet konden splitsen bij de verkoop van een deel van hun land.

Het belang is ook toe te schrijven aan de militaire maatregelen die volgden op Culloden, waaronder het stationeren van kleine troepenposten in de Highland-districten van de twee provincies, om uiteindelijk de praktijk van het heffen van vee te onderdrukken. Het hoofdkwartier van deze dienst was aanvankelijk gevestigd in Tarland, met ondergeschikte posten in Inchrory, het hoofd van Glengairn, boven de Linn of Dee, Glenclunie, Spital of Glenmuick en Glenclova in Angus, en voerde het bevel over de verschillende routes waarlangs de cateraars terugkeerden met hun buit. Terwijl deze posten werden opgericht, werden drieënveertig stuks vee onderschept van "de dieven van Rannoc'n". van Aberdeen en Banff en de factor van de hertog van Gordon in Upper Banffshire probeerden door een boycot het piket bij Inchrory uit te hongeren.1 Maar de praktijk werd volledig onderdrukt en na een jaar of twee waren de verschillende pickcts geconcentreerd als kleine garnizoenen de kastelen van Braemar en Corgarff, een detachement dat de Tarland-markt bijwoonde, wat lang een toneel en een aanleiding voor turbulentie bleef.


Kroon van Dunkeld

Cr n n van Dunkeld (overleden 1045) was de lekenabt van het bisdom Dunkeld, en misschien de Mormaer van Atholl. Cr n n was stamvader van het Huis van Dunkeld, de dynastie die over Schotland zou heersen tot het einde van de 13e eeuw.

Crin n was getrouwd met Bethoc, dochter van koning Malcolm II van Schotland (regeerde 1005 - 1034). Aangezien Malcolm II geen zoon had, daalde de sterkste erfelijke aanspraak op de Schotse troon via Beth c, en Crin ns oudste zoon Donnchad I (regeerde 1034-1040), werd koning van Schotland. Sommige bronnen geven aan dat Malcolm II Duncan aanwees als zijn opvolger volgens de regels van de leerschool omdat er andere mogelijke troonopvolgers waren.

Crináns tweede zoon, Maldred van Allerdale, droeg de titel van Heer van Cumbria. Er wordt gezegd dat van hem de graven van Dunbar, bijvoorbeeld Patrick Dunbar, 9de graaf van Dunbar, in ononderbroken mannelijke lijn afstammen.

Crin n sneuvelde in 1045 bij Dunkeld.

De Verklaring van Arbroath was een verklaring van Schotse onafhankelijkheid en was bedoeld om de status van Schotland als onafhankelijke, soevereine staat en het gebruik van militaire actie bij onterechte aanvallen te bevestigen. Het is in de vorm van een brief aan paus Johannes XXII, gedateerd 6 april 1320. Verzegeld door eenenvijftig magnaten en edelen, is de brief de enige overlevende van drie die destijds zijn gemaakt. De andere waren een brief van de King of Scots en een brief van de geestelijkheid die vermoedelijk allemaal soortgelijke opmerkingen maakten.

De Verklaring maakte een aantal veelbesproken retorische punten: dat Schotland altijd onafhankelijk was geweest, zelfs langer dan Engeland, dat Edward I van Engeland Schotland onterecht had aangevallen en wreedheden had begaan dat Robert the Bruce de Schotse natie van dit gevaar had verlost en, meest controversieel, dat de onafhankelijkheid van Schotland was het voorrecht van de Schotten, in plaats van de koning van Schotland. Er stond zelfs in dat de adel iemand anders als koning zou kiezen als de huidige de onafhankelijkheid van Schotland zou bedreigen.

Hoewel vaak geïnterpreteerd als een vroege uitdrukking van 'volkssoevereiniteit' - dat koningen door de bevolking konden worden gekozen in plaats van door God alleen - kan ook worden beweerd dat het een middel was om de verantwoordelijkheid voor het niet gehoorzamen van pauselijke bevelen van de koning aan de koning door te geven. mensen. Met andere woorden, Robert I voerde aan dat hij gedwongen was een illegale oorlog te voeren (voor zover het de paus betrof) of dat hij zou worden afgezet.

Het is in het Latijn geschreven en wordt verondersteld te zijn opgesteld door Bernard, abt van de abdij van Arbroath (vaak aangeduid als Bernard de Linton, hoewel zijn achternaam niet bekend is), die destijds de kanselier van Schotland was, en door bisschop Alexander Kininmund. Hoewel gedateerd op 6 april 1320 in de abdij van Arbroath, was er in feite geen bijeenkomst van edelen door wie het document was opgesteld. In plaats daarvan is het document misschien besproken tijdens een raadsvergadering in Newbattle Abbey, Midlothian, in maart 1320, hoewel harde bewijzen voor een dergelijk debat ontbreken. Arbroath was gewoon de locatie van de koninklijke kanselarij, het schrijfbureau van abt Bernard, en de datum levert alleen bewijs voor zijn aandeel in de procedure.

De zegels van acht graven en maar liefst eenenveertig andere Schotse edelen werden aan het document toegevoegd, waarschijnlijk in de loop van enkele weken en maanden, waarbij edelen hun zegels stuurden om te worden gebruikt. De verklaring werd vervolgens naar het pauselijke hof van Avignon gebracht.

De paus lijkt enige aandacht te hebben besteed aan de argumenten in de Verklaring, hoewel de hedendaagse invloed ervan niet moet worden overschat. Het was deels te danken aan zijn tussenkomst dat een kortstondig vredesverdrag tussen Schotland en Engeland, het Verdrag van Northampton, dat afstand deed van alle Engelse aanspraken op Schotland, uiteindelijk werd ondertekend door de Engelse koning, Edward III, op 1 maart 1328.

Het originele exemplaar van de Verklaring die naar Avignon werd gestuurd, is verloren gegaan. Er is echter een kopie van het bestand bijgehouden door de National Archives of Scotland in Edinburgh. De meest bekende Engelse vertaling is gemaakt door Sir James Fergusson, voorheen bewaarder van de archieven van Schotland, van tekst die hij reconstrueerde met behulp van deze bestaande kopie en vroege kopieën van het originele ontwerp. Eén passage in het bijzonder wordt vaak geciteerd uit de Fergusson-vertaling:

. want zolang er nog maar honderd van ons in leven zijn, zullen we onder geen enkele voorwaarde onder Engelse heerschappij worden gebracht. Het is in werkelijkheid niet voor glorie, noch rijkdom, noch eer dat we vechten, maar voor vrijheid - alleen daarvoor, dat geen eerlijk mens opgeeft, maar met het leven zelf.

De opzwepende retoriek van de Verklaring heeft haar beroemd gemaakt, zowel in Schotland als internationaal, en er is gesuggereerd dat het enige invloed had op de opstellers van de Onafhankelijkheidsverklaring van de Verenigde Staten. Het debat woedt nog steeds over de hedendaagse relevantie van het document - of het de oprechte gedachten van de adel vertegenwoordigde met betrekking tot onafhankelijkheid, soevereiniteit en het protodemocratische recht van het volk om een ​​koning te kiezen, of dat het vooral een stuk koninklijke propaganda en speciale pleidooi, opgesteld onder strikt toezicht van de belangrijkste koninklijke minister, abt Bernard. Het staat echter vast dat het document vervolgens een invloedrijke rol heeft gespeeld in de geschiedenis van de Schotse nationale identiteit en de totstandkoming van het algemene geloof (al dan niet gebaseerd op de juridische realiteit) dat in Schotland het 'volk' soeverein is, in plaats van de vorst of het parlement, zoals in Engeland.

Aan de allerheiligste Vader en Heer in Christus, de Heer John, door goddelijke voorzienigheid Opperste Paus van de Heilige Roomse en Universele Kerk, zijn nederige en vrome zonen Duncan, Graaf van Fife, Thomas Randolph, Graaf van Moray, Heer van de Mens en van Annandale, Patrick Dunbar, Graaf van maart, Malise, Graaf van Strathearn, Malcolm, Graaf van Lennox, William, Graaf van Ross, Magnus, Graaf van Caithness en Orkney, en William, Graaf van Sutherland Walter, Steward van Schotland, William Soules, Butler van Schotland, James, Lord of Douglas, Roger Mowbray, David, Lord of Brechin, David Graham, Ingram Umfraville, John Menteith, hoedster van het graafschap Menteith, Alexander Fraser, Gilbert Hay, Constable of Scotland, Robert Keith, Marischal of Schotland, Henry St Clair, John Graham, David Lindsay, William Oliphant, Patrick Graham, John Fenton, William Abernethy, David Wemyss, William Mushet, Fergus of Ardrossan, Eustace Maxwell, William Ramsay, William Mowat, Alan Murray, Donald Campbell, John Cameron, Reginald Cheyne, Ali exander Seton, Andrew Leslie en Alexander Straiton, en de andere baronnen en rechthebbenden en de hele gemeenschap van het rijk van Schotland sturen allerlei kinderlijke eerbied, met vrome kussen van zijn gezegende voeten.

Allerheiligste Vader en Heer, dat weten we en uit de kronieken en boeken van de ouden zien we dat onder andere beroemde naties het onze, de Schotten, met wijdverbreide bekendheid is vereerd. Ze reisden van Groot-Scythië via de Tyrrheense Zee en de Zuilen van Hercules, en woonden lange tijd in Spanje bij de meest woeste stammen, maar nergens konden ze worden onderworpen door enig ras, hoe barbaars ook. Daar kwamen ze, twaalfhonderd jaar nadat het volk Israël de Rode Zee was overgestoken, naar hun huis in het westen waar ze nu nog steeds wonen. De Britten verdreven ze eerst, de Picten vernietigden ze volkomen, en hoewel ze heel vaak werden aangevallen door de Noren, de Denen en de Engelsen, namen ze bezit van dat huis met vele overwinningen en onnoemelijke inspanningen en, zoals de historici van vroeger getuige, ze hebben het sindsdien vrijgehouden van alle slavernij. In hun koninkrijk hebben honderddertien koningen geregeerd van hun eigen koninklijke stam, de lijn ononderbroken door een enkele buitenlander. De hoge kwaliteiten en verdiensten van deze mensen, als ze niet op een andere manier zichtbaar waren, krijgen hierdoor genoeg glorie: dat de Koning der koningen en Heer der heren, onze Heer Jezus Christus, hen na Zijn Lijden en Verrijzenis riep, hoewel gevestigd in de uiterste delen van de aarde, bijna de eerste tot Zijn allerheiligste geloof. Noch zou Hij hen in dat geloof laten bevestigen door alleen maar door de eerste van Zijn apostelen - door, hoewel tweede of derde in rang - de meest vriendelijke Sint Andreas, de gezegende broer van Petrus, te roepen en hem te vragen hen onder zijn bescherming te houden als hun beschermheer voor altijd.

De Allerheiligste Vaders, uw voorgangers, schonken zorgvuldig aandacht aan deze dingen en verleenden veel gunsten en talrijke voorrechten aan ditzelfde koninkrijk en volk, als zijnde de speciale opdracht van de broer van de gezegende Petrus. Zo leefde onze natie onder hun bescherming inderdaad in vrijheid en vrede tot de tijd dat die machtige prins de koning van de Engelsen, Edward, de vader van degene die vandaag regeert, toen ons koninkrijk geen hoofd had en ons volk geen kwaadaardigheid koesterde of verraad en waren toen niet gewend aan oorlogen of invasies, kwamen in de gedaante van een vriend en bondgenoot om hen als vijand lastig te vallen. De daden van wreedheid, bloedbad, geweld, plundering, brandstichting, het opsluiten van prelaten, het platbranden van kloosters, het beroven en doden van monniken en nonnen, en nog andere ontelbare wandaden die hij beging tegen ons volk, waarbij hij leeftijd noch geslacht, religie of rang spaarde, niemand kon ze beschrijven of zich volledig voorstellen, tenzij hij ze met eigen ogen had gezien.

Maar van dit ontelbare kwaad zijn we verlost, door de hulp van Hem Die, hoewel Hij kwelt maar toch geneest en herstelt, door onze meest onvermoeibare Prins, Koning en Heer, de Heer Robert. Hij, opdat zijn volk en zijn erfenis uit de handen van onze vijanden zouden worden verlost, ontmoette zwoegen en vermoeidheid, honger en gevaar, zoals een andere Macabaeus of Jozua en droeg ze vrolijk. Hij ook, goddelijke voorzienigheid, zijn recht op erfopvolging volgens of wetten en gebruiken die we tot de dood zullen handhaven, en de gepaste toestemming en instemming van ons allemaal onze prins en koning hebben gemaakt. Aan hem, als aan de man door wie redding aan ons volk is bewerkstelligd, zijn we zowel door de wet als door zijn verdiensten verplicht om onze vrijheid nog te handhaven, en door hem, wat er ook gebeurt, willen we blijven staan. Maar als hij zou opgeven wat hij is begonnen, en ermee instemt ons of ons koninkrijk te onderwerpen aan de koning van Engeland of de Engelsen, moeten we ons onmiddellijk inspannen om hem te verdrijven als onze vijand en een ondermijner van zijn eigen rechten en de onze, en maak een andere man die goed in staat was ons tot onze koning te verdedigen, want zolang er nog maar honderd van ons in leven zijn, zullen we onder geen enkele voorwaarde onder Engelse heerschappij worden gebracht. Het is in werkelijkheid niet voor glorie, noch rijkdom, noch eer dat we vechten, maar voor vrijheid - alleen daarvoor, dat geen eerlijk mens opgeeft, maar met het leven zelf.

Daarom is het, Eerwaarde Vader en Heer, dat wij uw Heiligheid smeken met onze meest ernstige gebeden en smekende harten, voor zover u dit alles in uw oprechtheid en goedheid zult overwegen, aangezien u met Hem wiens plaatsvervanger op aarde u bent geen onderscheid maakt tussen Jood en Griek, Schot of Engelsman, zul je met de ogen van een vader kijken naar de problemen en ontberingen die de Engelsen ons en de Kerk van God brengen.Moge het u behagen de koning van de Engelsen te vermanen en te vermanen, die tevreden zou moeten zijn met wat hem toebehoort aangezien Engeland ooit genoeg was voor zeven koningen of meer, om ons Schotten met rust te laten, die in dit arme kleine dorpje wonen. Schotland, waarachter helemaal geen woonplaats is, en begeren niets dan het onze. We zijn oprecht bereid om alles voor hem te doen, rekening houdend met onze toestand, dat we kunnen, om vrede voor onszelf te winnen. Dit baart u werkelijk zorgen, Heilige Vader, aangezien u de wreedheid van de heidenen ziet woeden tegen de christenen, zoals de zonden van christenen inderdaad verdiend hebben, en de grenzen van het christendom elke dag naar binnen worden gedrukt en hoezeer het de nagedachtenis van uwe Heiligheid zal bezoedelen als (wat God verhoede) dat de Kerk gedurende uw tijd verduistering of schandaal ondergaat in elke tak ervan, moet u beseffen. Wek dan de christelijke vorsten op die om valse redenen doen alsof ze het Heilige Land niet kunnen helpen vanwege oorlogen die ze voeren met hun buren. De echte reden die hen verhindert, is dat ze bij het voeren van oorlog tegen hun kleinere buren sneller winst en zwakkere weerstand vinden. Maar hoe opgewekt zouden onze heer de koning en ook wij daarheen gaan als de koning van de Engelsen ons met rust zou laten, hij voor wie niets verborgen is goed weet en wij belijden en verklaren het aan u als de plaatsvervanger van Christus en aan het hele christendom . Maar als Uwe Heiligheid te veel vertrouwen stelt in de verhalen die de Engelsen vertellen en dit alles niet oprecht wil geloven, en er ook niet van afziet ze te bevoordelen tot ons vooroordeel, dan zal het afslachten van lichamen, het verderf van zielen en alle andere tegenslagen die zal volgen, door hen aan ons toegebracht en door ons aan hen, zal, geloven wij, zeker door de Allerhoogste aan uw last worden opgelegd.

Tot slot, we zijn en zullen altijd zijn, voor zover de plicht ons roept, klaar om uw wil in alle dingen te doen, als gehoorzame zonen aan u als zijn plaatsvervanger en aan Hem als de hoogste koning en rechter wij dragen de handhaving van onze zaak op , onze zorgen op Hem werpen en vast vertrouwend dat Hij ons met moed zal inspireren en onze vijanden teniet zal doen. Moge de Allerhoogste u in heiligheid en gezondheid voor zijn Heilige Kerk bewaren en u lange dagen schenken.

Gegeven in het klooster van Arbroath in Schotland op de zesde dag van de maand april in het jaar van genade dertienhonderdtwintig en het vijftiende regeringsjaar van onze bovengenoemde koning.

Onderschreven: Brief gericht aan onze Heer de Opperste Paus door de gemeenschap van Schotland.


GORDON, William, Lord Haddo (1679-1745).

bap. 22 december 1679, 4e maar 1e surv. s. van George Gordon, 1st Graaf van Aberdeen [S], door Anne, da. van George Lockhart van Torbreck, Sutherland. m. (1) door ca. 1705, Lady Mary (NS. 1710), ged. van David Leslie, 5de Graaf van Leven [S] en 2de Graaf van Melville [S], 2da. (1 d.v.p.) (2) 1 april 1716, Lady Susan (NS. 1725), ged. van John Murray, 1st Hertog van Atholl [S] en zus. van James, 2de Hertog, 2s. (1 d.v.p.) 2da. (1 d.v.p.) (3) 9 december 1729, Lady Anne (NS. 1791), ged. van Alexander Gordon, 2de Hertog van Gordon [S], 4s. 1da. gestyled ld. Haddo door c.1704 su. fa. als 2de Graaf van Aberdeen 20 april 1720.1

Kantoren gehouden

Burgess, Aberdeen 1699, Perth 1716,2

PC [S] 1704–7 comm. kamerheerschappij en handel [S] 1711–14,3

Comm. bezoek, St Andrews Univ. 1718.

Biografie

Hoewel Gordon en zijn vader behoorden tot een clan waarvan de leiders katholiek waren en trouw aan de erfelijke Stuart-lijn, waren ze gematigde episcopalen en Jacobieten van de meest voorzichtige, om niet te zeggen timide, variëteit. De eminente Presbyteriaanse predikant, William Carstares, merkte op dat Haddo, 'hoewel hij zichzelf als bisschop beschouwt in zijn oordeel, toch even regelmatig de gevestigde kerk steunt als de meeste anderen, en zich veel zorgen lijkt te maken over de rust van zijn land' . Anderen merkten op dat hij niet zonder trots was, terwijl zijn carrière blijk gaf van een sterke ader van persoonlijke ambitie

De 1e graaf van Aberdeen, een van de handlangers van de hertog van York in Schotland in de jaren 1680, speelde een voorzichtige rol bij de revolutie, woonde in Edinburgh in 1689 bij wanneer de Williamitische regering dat vereiste, en communiceerde met Jacobitische agenten, of helemaal niet, alleen wanneer benaderd. Een bondgenoot van de cavaliers in het Schotse parlement, hij consolideerde daar zijn reputatie en verscheen op een gegeven moment als 'het verklaarde hoofd van alle noordelijke oppositie', maar lijkt een zekere mate van onafhankelijkheid te hebben bewaard. Hij steunde de Unie, maar bleef uit de kritieke verdeeldheid. De meningen liepen uiteen over de omvang van zijn ongenoegen over de Revolutie-regeling. De Jacobieten beweerden vóór 1708 'zeker' van hem te zijn, en er werd contact met hem opgenomen voorafgaand aan de invasiepoging van dat jaar, hoewel de aard van zijn reactie onduidelijk is. Tijdens de noodsituatie werd hij samen met andere verdachte collega's geïnterneerd en gaf hij een borgsom van £ 3.000 als zekerheid. Hij beweerde 'verbaasd' te zijn over zijn behandeling, protesteerde tegen loyaliteit aan koningin Anne en werd snel vrijgelaten op grond van hoge leeftijd.5

Lord Haddo, van wie Jacobitische afgezanten ook hadden aangenomen dat ze van hen waren, en die privé 'veel loyaliteit had betuigd' aan de Pretender, werd tijdens de algemene verkiezingen van 1708 teruggestuurd naar Aberdeenshire terwijl zijn vader in hechtenis zat. Zodra het Parlement bijeenkwam, dienden op 27 november 21 rechthebbenden een petitie in tegen zijn verkiezing, uit protest tegen het feit dat hij niet in aanmerking kwam als de oudste zoon van een Schotse collega, omdat hij niet eerder recht had op een zetel in het Schotse parlement. Haddo erkende dat 'onze hele landgenoten tegen ons zijn in het Lagerhuis' en verklaarde dat hij 'niet erg bezorgd was over wat de gebeurtenis zou bewijzen, hoewel ik verplicht ben al het mogelijke te doen'. Volgens een rapport van Charles Oliphant* heeft Haddo tijdens deze debatten ‘bijzonder gesignaleerd’. Toch was het een verloren zaak. Hoewel de kwestie van geschiktheid dubbelzinnig was gelaten tijdens de passage van Union (omdat een beslissing in beide richtingen sommige aanhangers van het verdrag zou hebben vervreemd), oordeelde het Huis nu tegen Haddo. Dit precedent werd toegepast op alle vergelijkbare gevallen, een gebaar dat, naar de mening van de Squadrone-supporter, Lord Yester, zou helpen om ‘de barons en de commons met elkaar te verzoenen . . . naar de Unie'.6

Via Carstares liet Haddo na 1710 aan de Tory-administratie weten dat 'niets aangenamer zou zijn' dan 'de eer te hebben een buitengewone heer van zitting te zijn', een functie waarvoor zijn vermeende sollicitatie op juridische studies zou hebben gepast hem, maar hij moest zich tevreden stellen met aanbevolen te worden door de hertog van Atholl voor een plaats in de commissie van kamerheerschappij en handel. Dit bracht geen vergoeding met zich mee: de Schatkist keurde uiteindelijk een betaling van £ 1.000 goed, maar het geld bereikte hem niet. In februari 1714 verzocht hij Atholl

Haddo werd verdacht van onderhandelingen met de Whigs in de onmiddellijke nasleep van de Hannoveraanse opvolging, zowel namens hemzelf als als woordvoerder van een klein groepje Schotse Tories. Tijdens de Vijftien liet hij de Jacobieten in de steek door naar Edinburgh te vluchten, waardoor hij de minachting verdiende van degenen die hem eerder hadden vertrouwd en in sommige gevallen zelfs 'zeer geleid door zijn gevoelens'. In 1718 door Stuart-agenten het hof gemaakt op voorstel van Lord Mar, ooit een goede vriend, toonde hij zich opnieuw 'zeer voorzichtig', met 'maag' alleen voor 'de geldhandel' en niet voor 'wapens'. In 1721, nadat hij het graafschap had opgevolgd, stond hij op tegen zijn Jacobitische zwager Lord Eglinton voor een vacature in de representatieve adelstand, waardoor zijn platform een ​​felle oppositie was tegen elke herinvoering van de adelstandwet. Hoewel hij de steun genoot van Engelse Tories, en ook van enkele Schotse Tories, was hij bij deze gelegenheid ook de favoriete kandidaat van het Squadrone, en na zijn verkiezing was hij de enige representatieve collega die zich bij de nieuwe oppositie van Lord Cowper (William*) aansloot. ). Een jaar later, bij de algemene verkiezingen, hield hij zich afzijdig van verstrikking en heroverde hij zijn terrein met zijn voormalige partijgenoten in Schotland. Zijn bereidheid om compromissen te sluiten bracht hem echter terug in een regeling met het squadron in 1726 en kostte hem zijn plaats in het parlement van 1727, toen de Schotse Jacobieten 'zich opzij legden en zich er niet mee bemoeiden' en de Argathelian factie de verkiezing van de peers droeg. Nog in 1733 flirtte hij nog met een alliantie van de ‘Landenpartij’. Lord Lovat geloofde dat hij in 1741 een 'zeer groot man' was en prees zijn 'goede eigenschappen, zijn wijsheid en voorzichtigheid'. Hij nam echter geen deel aan Jacobitische intriges en na zijn dood, in Edinburgh op 30 maart 1745, stond zijn familie de Hannoveranen loyaal aan de zijde van de Vijfenveertig. Hij werd begraven in Methlick. Een jongere zoon uit zijn derde huwelijk, generaal William Gordon, werd in 1767 teruggestuurd naar New Woodstock


De mysterieuze koning van Canada


De foto is in feite een zeer beroemde Canadese gouverneur-generaal, Sir John Campbell Hamilton Gordon, graaf van Aberdeen, die die functie bekleedde van 1893 tot 1898. Hij was getuige van tumultueuze tijden in Canada: de voltooiing van de Transcontinental Railway, de beëindiging van afzonderlijke Franse scholen in Manitoba en de Yukon Gold Rush. Hij diende vier premiers.

Lord en Lady Aberdeen waren zo verliefd op Canada tijdens een bezoek in 1890, dat ze een jaar later "Coldstream Ranch" kochten in de Okanagan Valley. Hun huis staat er nog steeds. Twee jaar later werd hij benoemd tot gouverneur-generaal van Canada.

Lord Aberdeen (1847-1934)

De Aberdeens kwamen uit Schotland en genoten vooral van toeren in de Maritieme provincies waar ze Gaelic konden spreken met de Schotse inwoners die zich daar hadden gevestigd. Ze reisden ook veel naar het westen om te proberen zoveel mogelijk Canadezen uit alle lagen van de bevolking te ontmoeten en te praten. Lord Aberdeen werd benoemd tot ereleider van de Blackfoot en de Six Nations.

De belangrijkste bijdrage van Lady Aberdeen aan Canada was de oprichting van de Victorian Order of Nurses in 1898. De VON, die zich inzet voor thuiszorg voor zieke mensen, speelt nog steeds een sleutelrol in de Canadese gezondheidszorg. Lady Aberdeen was ook de eerste president van de International Council of Women, een functie die ze bekleedde tot haar dood in 1939.

Lord en Lady Aberdeen hebben enorm geholpen om van de gouverneur-generaal een symbool te maken voor de belangen van gewone Canadezen, niet alleen een verre aristocratische vertegenwoordiger van de Kroon in Canada.

De koning is niet alleen - Weer een zeer goede les over veilinghuizen van alle niveaus. Ze zijn massaverkopers van veel dingen. Ze hebben frequent personeelsverloop, waardoor opgebouwde kennis verloren gaat. Expertise in alle dingen is beperkt en vlekkerig, zelfs bij high-end veilinghuizen. Verkeerde etikettering, komt veel voor. Je zou een Morrisseau kunnen kopen als dat niet zo is. We hebben gezien dat hun glanzende en dure kunstcatalogi, die hun experts met adelaarsogen doornemen, moderne kunstafbeeldingen ondersteboven afdrukken zonder de druk te corrigeren. Veel mensen hebben dingen gekocht die niet waren wat ze beweerden te zijn. We kochten een koning, maar kregen hem niet.

Uw eigen gezond verstand, ondersteund door uw eigen onderzoek, is uw enige bescherming.

Orig. foto - Afbeeldingsgrootte - 8 x 10"
Gevonden - Toronto, ON
Foto van Lord Aberdeen door Topley, Ottawa c 1893,
Prov: Het landgoed van John Russell


Haddo

"Haddo" is afgeleid van het woord "Davoch", een stuk land dat in een dag door een os kon worden geploegd. Een "halve davoch" was niet verrassend, half zo groot en dit werd afgekort tot Haddo.

De Gordons van Haddo volgen graag hun afstamming van de Bertrand de Gourdon wiens pijl Richard Leeuwenhart in Frankrijk in 1199 dodelijk verwondde, waardoor het familiewapen van twee armen een pijl en boog terugtrok. Het is echter waarschijnlijker dat de afstamming afkomstig is van Richard Gordon van Berwickshire, die zich daar in 1170 had gevestigd. Een van zijn nakomelingen, Adam, verwierf het land van Strathbogie, in de buurt van Huntly en zijn nakomelingen werden de graven en markiezen van Huntly. Via een nogal gecompliceerde lijn verwierf een van de afstammelingen van deze Gordons, genaamd James, in 1469 het land van Haddo en Meikle Methlick. Zijn zoon Patrick verwierf vervolgens in 1479 land bij Kelly en Overhill. Deze landen, met uitzondering van Haddo Farm, vormt nog steeds het hart van het landgoed.

In de zestiende eeuw verwierf de familie het landgoed Tarves in 1550 en het land van Savoch, ten noorden van de Ythan tussen Arnage en Auchnagatt in 1560.

In 1623 volgde John Gordon van Haddo zijn grootvader op, en hij was het die de familie op de voorgrond bracht. Hij was een felle royalist die zich in de burgeroorlog wijdde aan de zaak van Stuart en in 1642 door Charles I tot baronet van Nova Scotia werd benoemd, waardoor hij zichzelf Sir John kon noemen. Tachtig prominente Schotten waren zo het doelwit in ruil voor loyaliteit en de prijs van het land in die pas, zeer recentelijk, vaste wildernis in Canada. Sir John sprong niet meteen op een zeilboot en ging naar het westen om 1 miljoen hectare eersteklas Canadian Woodland te claimen, maar voer in plaats daarvan 20 mijl naar het zuidoosten naar Aberdeen en lanceerde een spectaculaire aanval op de stad.

De wraak was snel toen de convenant Markies van Argyll zijn huis bij Kelly belegerde en het ontsloeg. Sir John werd naar Edinburgh gebracht, onthoofd (waardoor hij de onderscheiding kreeg als de eerste royalist die oordeelkundig werd geëxecuteerd in Schotland) en ook zijn landgoederen werden in beslag genomen. Na de burgeroorlog en de terugkeer van Charles II werden de landgoederen in 1661 door het Schotse parlement teruggegeven aan de oudste zoon van Sir John, ook wel John genoemd. Hij stierf in 1665 en liet een dochter achter en de titel en landgoederen gingen over op zijn jongere broer, George, een briljante advocaat.

George vond een beschermheer in de hertog van York die de Schotse zaken regelde namens zijn broer Charles II en hij werd uiteindelijk James II. In 1682 werd George benoemd tot Hoge Kanselier van Schotland en in hetzelfde jaar werd hij in de adelstand van Schotland verheven als de 1st Graaf van Aberdeen. Hij trouwde met Anne Lockhart van Torbrex en in de jaren 1680 voegde hij aanzienlijk toe aan het landgoed door de aankoop van: Over and Nether Ardlethan, Auchencrieve, Auchmaliddie, Raxton, Inkhorn en Tillicairn. Zijn laatste grote aanwinst was Tolquhon in 1717 van de familie Forbes, inclusief het kasteel dat nog steeds in familiebezit is, maar wordt beheerd door Historic Scotland. Hij stierf in 1720 op 83-jarige leeftijd en werd opgevolgd door zijn zoon William als 2de Graaf van Aberdeen.

William was enorm trots op zijn familie en zijn land en met drie vrouwen had hij zeven zonen en drie dochters. Hij was het die begin jaren 1730 begon met de bouw van Haddo House, vermoedelijk ter vervanging van een herbouwd House of Kelly.

Zijn eerste vrouw was de dochter van de graaf van Leven en Melville, zijn tweede, de dochter van de hertog van Atholl en zijn derde, met wie hij trouwde in 1729, de dochter van de hertog van Gordon. De hertog stelde Willem als voorwaarde dat hij een geschikt bezit moest kopen om de nakomelingen van dit huwelijk te erven. Daarom kocht hij voor dit doel Fyvie Castle en zijn landgoed. Hoewel het nooit deel uitmaakte van het Haddo Estate, was het nog steeds een eigendom van Gordon totdat het in 1885 werd verkocht aan de Forbes Leiths.

Hij voegde aanzienlijk toe aan het Haddo-landgoed door Crichie bij Fyvie en Fedderat bij Maud te kopen in 1722 en 1723, Boddam bij Peterhead in de periode 1726 - 1740 en Tarland bij Aboyne in 1729. Hij stierf plotseling in Edinburgh in maart 1745 nadat hij daarheen was gegaan om steun de Jonge Pretender. Als hij niet een natuurlijke dood was gestorven, zou hij misschien aan een moeilijker einde zijn gekomen en zijn landgoederen opnieuw verbeurd verklaard. De geschiedenis zit vol met deze "wat als's".

Hij werd opgevolgd door zijn zoon George als de derde graaf, die inmiddels de grootste landeigenaar in Aberdeenshire was. Hij voegde zijn landgoed toe door Gight Castle en zijn landgoed in 1787 te kopen van Catherine Gordon, een verre tak van de familie, die was getrouwd met Capt. John Byron die snel haar fortuin opzocht en de verkoop dwong. Er zou een oude profetie van Thomas de Rijmer zijn:

Als de reiger de boom verlaat, zal de Laird o' Gight landloos zijn.

Kort voor de verkoop vlogen een aantal reigers die jarenlang in Gight hadden genesteld over naar Haddo waar Lord Aberdeen zou hebben gezegd: "Laat de vogels komen en doe ze geen kwaad, want het land zal spoedig volgen". Het jaar daarop beviel Catherine van hun zoon George Gordon Byron, de beroemde dichter die het altijd moeilijk had om in het reine te komen met zijn verre neven in Haddo, die volgens hem onterecht hem van zijn landgoed en erfenis hadden beroofd.

De zoon van de derde graaf, Lord Haddo, kwam om het leven bij een ongelukkig rijongeval in Gight in 1795 en het landgoed Haddo werd geërfd door zijn zoon, de kleinzoon van de 3de graaf, George.

De 4de Graaf is het meest prominente lid van de familie. Hij was minister van Koloniën, daarna minister van Buitenlandse Zaken en was de eerste politicus die nauwe banden smeedde met Europa en in het bijzonder met Frankrijk. Hij had een goede band met de Franse minister van Buitenlandse Zaken Guizot, wiens mooie portret bij Haddo hangt en zij waren het die de oorsprong waren van de uitdrukking "Entente Cordiale", die tegenwoordig zo veel wordt gebruikt in het politieke leven.

Hij was premier tussen 1852 en 1855 en zoals moderne biografen getuigen, werd hij onterecht gehekeld vanwege zijn aanpak van de Krimoorlog, een oorlog die hij als dwaasheid beschouwde en er alles aan deed om te vermijden. Er wordt gezegd dat hij een van de favoriete premiers van koningin Victoria was en dat ze in 1857 in Haddo verbleef en samen met haar man twee prachtige Wellingtonia plantte die er nog steeds staan. Hij was het inderdaad die haar overhaalde om Balmoral te kopen, dat destijds werd bewoond door zijn broer, die een huurder was van de graaf van Fife.

Toen hij in 1801 terugkeerde van Cambridge, waar hij studeerde, naar Haddo na de dood van zijn grootvader, vond hij een verwaarloosd en vervallen huis in een somber en drassig landschap. Hij voerde een ingrijpende verbouwing van het huis uit om het beter geschikt te maken voor het barre weer in het noordoosten. In samenwerking met de kunstenaar James Giles legde hij het beleid en het hertenpark aan en creëerde hij de bossen van Haddo die het landschap van vandaag zo prachtig domineren. Hij legde twee meren aan, de Upper die het middelpunt vormt van het huidige Country Park en Kelly die privé blijft. Hij voerde ook een enorm moderniseringsprogramma uit op zijn enorme landgoed en stortte zich met veel energie op dit werk. Hij is verantwoordelijk voor de schoonheid van het landgoedbeleid zoals het nu is en wij zijn de begunstigden van zijn grote vooruitziende blik. Hij stierf in Londen in 1860 en de huurders van het landgoed richtten de Prop of Ythsie op ter nagedachtenis aan hem, wat volgens mij de achting bewijst die hij had.

Hij werd opgevolgd door George als 5de Graaf, maar hij zou vier jaar later sterven. Zijn oudste zoon heette ook George en slaagde in 1864 op 23-jarige leeftijd. Op zo'n jonge leeftijd wilde de 6e graaf de verantwoordelijkheid voor het runnen van het Haddo Estate niet en reisde hij incognito naar Noord-Amerika om te ontsnappen, hoewel hij volledig van plan was terug te keren op de juiste tijd.Hij nam de naam George Osborne aan en werkte als houthakker en matroos om zijn Masters-certificaat te behalen, terwijl hij tegelijkertijd een aantal valse sporen legde om detectie en identificatie te voorkomen. In die dagen, zoals nu het geval is, was het ronden van Kaap Hoorn het ding om te doen voor een zeiler. Helaas werd hij, zonder ooit zijn ambitie waar te maken, overboord gegooid en verdronken tijdens een reis naar Australië in 1871.

Met de zeven jaar afwezigheid van de 6e graaf, waren de financiën van het landgoed tot bloei gekomen, zodat John, de 7e graaf, een landgoed erfde, waaronder: Tarland bedroeg 65.000 acres en genereerde een zeer aanzienlijk inkomen. De 7e graaf genoot een vooraanstaande politieke carrière toen hij tweemaal werd benoemd tot onderkoning van Ierland en hij was ook gouverneur-generaal van Canada. Dit waren de dagen dat je alleen op zulke posten werd aangesteld als je het kon betalen, want ondanks dat je werd betaald, was het nooit genoeg om de uitgaven van de functie te dekken. Het was voor het bekleden van deze functies dat hij in 1916 werd verheven tot de 1e Markies van Aberdeen.

Johnny, zoals hij bekend stond, en zijn vrouw, Ishbel, waren buitengewoon welwillend, erg extravagant en namen ook enkele zeer slechte zakelijke beslissingen. Een fruitteeltbedrijf in Canada verloor een fortuin dat gefinancierd moest worden door het Haddo Estate. Er was een stroom van correspondentie van de Factor van de dag die voortdurend wees op het tekort aan inkomsten tegenover uitgaven. Er was ook een uitgebreide verbouwing van Haddo House, waaronder de bouw van de kapel en van een andere vleugel die in 1930 door brand werd verwoest.

In 1910 besloten Johnny en Ishbel, ondanks dat ze nog steeds onderkoning van Ierland waren, zich terug te trekken op hun landgoed Tarland en daar een zeer groot huis te bouwen om ze in de stijl te houden waaraan ze gewend waren geraakt. Deze levensstijl kon niet eeuwig doorgaan ten koste van de Estate aangezien er geen andere vormen van inkomsten waren. Het werd duidelijk dat er grond moest worden verkocht om schulden te dekken en in 1919 werd gedurende meerdere dagen een verkoop gehouden van 37.000 acres van het Haddo Estate, waarmee £ 450.000 werd opgehaald.

Johhny stierf in 1934 en werd opgevolgd door zijn zoon, George. Ondanks twee huwelijken had hij geen kinderen en droeg het landgoed eind jaren veertig over aan zijn neef, David, en verhuisde naar Braehead in Aberdeen aan de noordelijke oever van de rivier de Don.

David stierf in 1974 en het eigendom van het landgoed ging over op zijn neef Alexander Gordon, de huidige Markies van Aberdeen, die een succesvolle carrière had in de vastgoedontwikkeling in Londen voordat hij in 1995 naar Haddo verhuisde nadat hij een nieuw familiehuis op het landgoed had gebouwd.


Bekijk de video: SEATTLE AND ABERDEEN 1997 AND MY SONGS (Oktober 2022).

Video, Sitemap-Video, Sitemap-Videos